A A A
Coachteam - Unlock your potential... we have the key - Coaching, training, talent, stress
Hypnotherapie
Nederlands

Medische hypnose, ook wel hypnotherapie genaamd, helpt mensen een aantal lichamelijke of psychische klachten snel en efficiënt op te lossen. Wij beschrijven hier een aantal typische indicaties voor medische hypnose.

Hoe werkt Medische Hypnose? Waarvoor helpt Medische Hypnose?
  • Focus: Hypnose helpt de patient te focussen op een deel van het probleem zodat hij niet overspoeld wordt door allerlei angsten en stap voor stap zelfcontrole kan ervaren en aanleren
  • Immuunversterking: Hypnose kan "genen" die je helpen om je afweer te verbeteren terug "aan" schakelen zodat ze je eigen afweer verbeteren
  • Witte Bloedcellen doen toenemen in het bloed en versterken van hun slagkracht
  • Zelfhypnose: Het aanleren van zelfhypnose technieken vergroot de zelf-controle in je leven
  • Positieve herinneringen versterken zodat die de bovenhand nemen
  • Leerprocessen versterken voor nieuwe positieve gewoontes
  • Gevoelens die aangenaam & gezond zijn beter leren oproepen
  • Combinatie met Oplossingsgerichte Therapie kan de effecten van hypnose op lange termijn versterken doordat je ook bewust meer inzicht krijgt in wat behulpzaam voor je is.
  • Angsten: leren verminderen door (zelf)hypnose
  • Zelfvertrouwen: ik-versterkende suggesties vergroten je zelfvertrouwen
  • Stress: verminderen van stress door autosuggestie
  • Depressie: energie opbouwen, positieve gevoelens stimuleren
  • Psychosomatische Ziekten: Migraine, Hoofdpijn, Huidziekten zoals eczeem,
  • Pijnbestrijding: verminderen of uitschakelen van ongeneeslijke pijn
  • Ziekten: Kanker, Imuunziekten, Allergie, Asthma, Hypertensie
  • Trauma uit het verleden oplossen
  • Concentratie vergroten voor studenten en managers
  • Rookstop door autosuggestie
  • Business: Charisma, Uitstraling, Overtuigingskracht, Zelfzekerheid, Creativiteit , Innovatie, Uitvindingen

 Info via therapyerickson.be of +32(0)3 237.98.98


Hypnose in de Traditionele Geneeskunde(1994)

Hypnose in de Traditionele Geneeskunde

Inleiding

Wat is hypnose? Heeft het iets te zien met macht en wilskracht? Is het een vorm van zwarte magie? Is het spektakel? Waarom schrikt het af?

Dit zijn vragen die U en mij bezig houden. In dit artikel zal ik proberen er een antwoord op te formuleren.

Jammer genoeg wordt het beeld dat de leek heeft over hypnose sterk beïnvloed door de wereld van show en spektakel. Wat showhypnotiseurs U tonen is meestal meer show dan hypnose. Showhypnotiseurs zetten een traditie voort die ontstaan is eind vorige eeuw in de Franse, Parijse salons, waar neurologen dit fenomeen "hypnose" herontdekten en demonstraties gaven om de aristocratische Parijse salondames te charmeren, of gewoon om populair te worden.

U moet niet vergeten dat eind vorige eeuw het maatschappijmodel er anders uitzag dan nu. Daar waar we nu leven in een wereld van democratie en communicatie, werd eind vorige eeuw nog geregeerd door hiërarchie en macht. Het prestige en de macht van de 19° eeuwse bourgeoisie en de vrije beroepen (zoals de geneesheer, de notaris) lag toen hoger. Het is niet te verwonderen dat in die context de eerste artsen die hypnose herontdekten, vooral dit aspect gingen benadrukken waarmee ze indruk konden maken, de illusie van macht konden opbouwen. U moet niet vergeten dat hysterische verlammingen en flauwtes eind vorige eeuw in de mode waren, net zoals we nu modes kennen zoals hyperventilatie, spasmofilie, chronisch vermoeidheidssyndroom en noem maar op.

Als je in de 19° eeuw de aandacht van je omgeving wilde trekken of meer affectie van je gezin wilde krijgen, deed je er goed aan een hysterische verlamming te krijgen.

In onze drukke maatschappij zal je eerder onbewust spanningshoofdpijn of andere psychosomatische klachten ontwikkelen.

Daar het spectaculair aspect van hypnose en show aan de hypnotiseur veel prestige opbrengt, en dus ook geld, is het niet te verwonderen dat dit aspect gecultiveerd wordt door de 20° eeuwse showhypnotiseur, die zijn brood verdient met het verkopen van spektakel.

Een aantal onderzoekingen toonde trouwens aan dat verschillende showhypnotiseurs gebruik maken van trucage zoals bijvoorbeeld het ongemerkt dichtknijpen van je halsslagader, die de hersenen van bloed voorziet: trucage samen met een aantal fenomenen die nog iets - doch weinig - met hypnose hebben te zien, wekken de illusie dat de hypnotiseur macht heeft over het medium op het podium. Wat je niet mag vergeten, is dat die mensen waarmee ze de demonstraties doen, meestal van tevoren worden uitgeselecteerd en men uit verschillende vrijwilligers de twee of drie gemakkelijkst hypnotiseerbare subjecten neemt, dan is het niet te verwonderen dat je spectaculaire dingen te zien krijgt. Is het niet logisch dat een aantal subjecten inderdaad graag meespelen in het spektakel? En dit wekt inderdaad de indruk dat je iemand dingen tegen zijn wil kan laten doen. Het is echter zo dat als je iemand een suggestie geeft die werkelijk tegen zijn waarden ingaat, hij ze nooit zal opvolgen en bijna automatisch uit trance zal komen.

Dit weten hypnotiseurs echter handig te omzeilen door op het podium eerst te testen hoe ver ze kunnen gaan met wie.

Het is jammer dat dit beeld van hypnose zo vertekend wordt en dat het een aantal mensen afschrikt, die door hypnose goed geholpen kunnen worden.
 

Wat is trance ?

Als mensen me vragen wat hypnose is, stel ik hen meestal de vraag of ze het ooit wel eens meegemaakt hebben dat ze een boek zaten te lezen of naar een spannende film zaten te kijken en ondertussen niet hoorden dat iemand de kamer binnen kwam of vergaten dat ze eigenlijk op een ongemakkelijke of harde stoel zaten. De meeste mensen kennen deze ervaring. Dit is wat ik zou noemen de spontane, alledaagse trance. Trance is een toestand van verhoogde concentratie waar je aandacht gericht wordt op één stuk of één deel van je beleving van de werkelijkheid.

Andere delen die op dat moment niet relevant zijn, worden buiten het bewustzijn gelaten. Dit wil niet zeggen dat deze informatie onbewust niet mee wordt verwerkt. Dus trance is een vernauwing van het bewustzijn. Stimuli die buiten je aandacht vallen, komen op dat moment nog wel binnen via de zintuigen, worden nog wel verwerkt, maar worden als onbewuste informatie op de achtergrond gehouden. Tijdens de trance zorgen de hersenen ervoor dat je je intensiever kan bezighouden met deze informatie die op dat moment belangrijk is.

Om het verschil aan te tonen tussen bewust en onbewust, kan ik hier misschien de vergelijking trekken met het leerproces van het kind, dat eens zich al spelende concentreerde op zijn voetje om te beseffen dat dat zijn voetje is. In de loop van zijn verdere leven zal het kind er nog zelden bij stilstaan dat dit zijn voet is, hoe die eruit ziet en hoe die functioneert. Onbewust wordt deze informatie verder gebruikt tot op het moment dat het kind leert staan. Nu concentreert het zich even op de coördinatie van zijn spieren om zijn evenwicht te houden. Op het moment dat het kind leert lopen, concentreert het zich op de bewegingen en de stapjes die het zet. En eens het dit onder de knie heeft zal het zijn verdere leven zich niet meer afvragen hoe het zijn evenwicht behoudt of een stapje vooruit zet, tenzij het door een of andere ziekte deze mogelijkheden terug verliest.

Als je leert auto rijden, ben je je bewust van het feit dat je je pedaal moet indrukken en loslaten en bij het remmen op een andere pedaal moet drukken. Je concentreert je op deze nieuwe informatie tot je het onder de knie hebt. De ervaren chauffeur staat hier niet meer bij stil.

Dit illustreert de functie van trance of verhoogde aandacht. Verhoogde concentratie is dit mechanisme dat ons toelaat op het moment dat we nieuwe en belangrijke dingen willen leren, enkel die informatie te gebruiken en in onze aandacht te houden, die op dat moment voor ons nuttig is. In die zin is trance een levensnoodzakelijk en belangrijk stuk in ons leven en ontwikkeling: niets spectaculairs of buitengewoons.

Wat is hypnose ?

Hypnose is niets anders dan op een professionele en meer systematische wijze deze toestand van natuurlijke trance te stimuleren. De arts of hypnotherapeut doet dit met de bedoeling om een cliënt met een probleem iets nieuws aan te leren. Een nieuwe ervaring op te bouwen om zo beter met het probleem om te kunnen of het probleem op te lossen. De doelstelling van de showhypnotiseur is er die fenomenen uit te pikken die indruk maken op de massa en de kassa te doen rinkelen.

Hypnose heeft dus vooral iets te maken met leerprocessen. Het is dus niet zo dat je je wil verliest of je niet bewust bent tijdens de hypnose. Je bent volledig bewust, alleen ben je wat meer geconcentreerd op bepaalde aspecten van je eigen realiteit. Eén van de fenomenen van diepere trance is amnesie of m.a.w. het vergeten van een aantal dingen die tijdens de trance gebeuren.

Dit maakt soms dat mensen achteraf de indruk hebben, dat ze bij diepe trance volledig weg geweest zijn, doch dit is niet zo. Het voordeel van die verhoogde concentratie is, dat je onder hypnose aan bepaalde dingen kan werken, terwijl je andere dingen afschermt of opgeborgen laat.

Als je een emotioneel proces moet verwerken, is het soms nuttig, het massale gevoel van overweldigd te geraken door je emoties even opzij te kunnen schuiven en je te kunnen concentreren op de kern van het probleem waaraan je wil werken. Dit maakt dat je onder hypnose een aantal dingen kan doen die veel moeilijker te bereiken zijn, zonder deze toestand van trance. Je kan één aspect van je probleem als het ware inzoomen, in de kijker nemen om eraan te werken, terwijl je de andere eventjes op rust stelt. Dit maakt het gemakkelijker om problemen in stukjes te breken en stap voor stap te zoeken naar een oplossing. Terwijl je bewuste geest zich op één ding richt, kan je onbewuste geest ervoor zorgen dat het geheel gerespecteerd blijft. Want het is zo dat je geen suggesties kan geven die fundamenteel tegen het onbewuste ingaan. Respect staat daarom centraal in medische hypnose. Respect zowel voor je bewuste als voor je onbewuste. We gebruiken het onbewuste hier niet in de Freudiaanse betekenis van het woord. Als ik het woord "onbewuste" gebruik, denk je beter even terug aan de leerervaring van het kind waar reeds gekende, onbewuste ervaringen een hulpmiddel zijn om nieuwe en bewuste ervaringen te ondersteunen. Een andere toepassing van die verhoogde concentratie op een stukje van je belevingswereld is het behandelen van een ernstige pijn. Als een bepaald deel van je lichaam door een ziekteproces pijn doet, kan je je concentratie op de pijn en je concentratie op andere positieve ervaringen in andere delen van je lichaam gebruiken om minder pijnbeleving te hebben of om beter met je pijn te kunnen omgaan. Zo kan je ook een anesthesie of gevoelloosheid ontwikkelen in diepere trance, waar je als het ware je gevoelsreceptoren, die pijnlijke informatie van je huid naar je hersenen sturen vergeet. Je kan onder hypnose suggesties geven omdat je door de verhoogde toestand van concentratie beter op suggesties reageert dan in de gewone waaktoestand. Suggesties kunnen zowel tot doel hebben psychische processen of leerervaringen op gang te brengen als lichamelijke functies te beïnvloeden. Zo kan je door suggestie je bloeddruk of je hartslag beïnvloeden en zelfs de stollingstijd van je bloed veranderen.

Onderzoek door een Zwitserse vorser toonde aan dat tijdens hypnose of trance het aantal witte bloedcellen in je bloed veranderd wordt. De bloedconcentratie van je eigen hormoon cortisone verandert en een aantal fysiologische kenmerken wijzigen. Een aantal onderzoekers zoals Simonton, Rossi, Spiegel en Auerbach in de Verenigde Staten suggeren dat je je immunologische afweer tegen ziekten zoals het aids virus en kankercellen kan versterken door hypnotische suggestie. Gepubliceerde resultaten, die weliswaar geen zwart op wit bewijs vormen, doch sterk in die richting wijzen, tonen aan dat het de moeite loont om bij ernstige ziekten zoals aids, kanker, reuma en astma de traditionele behandeling aan te vullen met hypnotherapie. Zij rapporteren een hogere kans op genezing en een betere levenskwaliteit. Ook bij hoofdpijn, migraine allergieën en verschillende huidziekten en zelfs bij een aantal wratten is aangetoond dat hypnose een groot aantal mensen kan helpen.

Met dit alles wil ik niet beweren dat hypnose een wondermiddel is dat alles kan, maar wel dat het een mooie aanvulling is van de mogelijkheden en de begrenzing die de klassieke geneeskunde ons biedt. De laatste jaren wordt hypnose meer en meer door artsen beoefend en aanvaard en kan men ook stellen dat hypnose deel uitmaakt van de klassieke geneeskunde en niet onder de alternatieve geneeswijzen thuishoort.

Zijn er risico's ?

Ik wil hier ook even ingaan op de vraag naar het gevaar van hypnose. Vele mensen vragen me "Is het gevaarlijk? Zal ik er wel uitkomen?" Het is zo dat bij deskundig uitgevoerde hypnose het risico niet uit trance te komen niet bestaat.

Het ergste wat ooit kan voorkomen is dat je onbewuste geest geen zin heeft om direct uit trance te komen bij de eerste suggestie en dat je dus eerst een aantal malen moet herhalen of heel uitzonderlijk dat trance overgaat in een natuurlijke slaap. De trance is dan over bij het ontwaken. Er zijn echter wel een aantal redenen waarom het belangrijk is dat hypnose thuishoort in de geneeskunde en niet in het alternatieve circuit. Zo herinner ik me bijvoorbeeld het verhaal van een arts die tijdens een hypnose een suggestie gaf dat de cliënt in zijn verbeelding zich rustig, ontspannen kon neerleggen op een grasperk, waar deze cliënt die allergisch was aan graspollen een astma-aanval op deed. Indien je op dat moment geen arts of deskundige bent, riskeer je wel in de problemen te komen.

Een ander voorbeeld is beschreven door Milton H. Erickson, de grootste hypnotherapeut van de 20ste eeuw, die ooit telefoon kreeg van een cliënte van hem die vroeg om via de telefoon een hypnose toe te passen om haar menstruatiepijnen te verlichten. Een half uurtje later belde ze hem terug om te zeggen dat de hypnose niet werkte. Hij deed de hypnose nog eenmaal over, waarna hij een half uurtje later weer een telefoon kreeg met de melding dat de klachten niet verdwenen. Hij stuurde haar naar het hospitaal met als diagnose het vermoeden van een appendicitis.

Indien hij zijn suggesties onzorgvuldig geformuleerd zou hebben en gesuggereerd zou hebben dat de pijn volledig zou verdwijnen, ongeacht de oorzaak van de pijn, dan liep deze cliënt het risico dat de appendicitis pijnloos evolueerde naar een erger stadium.

Een ander risico is het beluisteren van een cassette met een hypnose in de wagen. Indien de cliënt deze hoort tijdens het besturen van een wagen is het niet onmogelijk dat hij op dat moment in trance zal gaan.

In die zin is het belangrijk dat als je een hypnotherapeut kiest, je er goed over nadenkt en kiest voor iemand die medisch en technisch goed gevormd is, die een goede scholing in de hypnotherapie genoot.
 

Hoe verloopt zo'n therapie?

Als je met een probleem zit, fysisch of psychisch, en je denkt dat hypnose je kan helpen, is de eerste fase een gesprek met de arts of therapeut. De arts probeert dan het probleem in kaart te brengen en formuleert voor zichzelf een aantal hypothesen. Deze hypothesen worden besproken met de cliënt en meestal kan in het eerste gesprek worden uitgemaakt of deze klacht zich inderdaad leent voor een behandeling met hypnotherapie of eventueel andere vormen van therapie geschikter zijn. In de onderhandeling wordt gezocht naar een zienswijze waar zowel therapeut als cliënt achter kunnen staan. Een belangrijke vraag die in het eerste gesprek onderzocht wordt is of de klacht bij de cliënt enkel nadelen oplevert of eventueel ook voordelen. Het gebeurt dikwijls dat een cliënt een klacht moeilijk kan opgeven omdat hij er iets bij te verliezen heeft. Dit proces is soms bewust, soms onbewust. Het kan besproken worden met de cliënt en eventueel, als het antwoord onduidelijk is, onder hypnose verder worden verkend. Er bestaan namelijk verschillende technieken die de therapeut of de cliënt toelaten vragen te stellen aan het onderbewuste of zelfs met het onderbewuste te onderhandelen.

Indien de strategie min of meer bepaald is wordt een afspraak gemaakt voor een volgende sessie, zodat zowel cliënt als therapeut de kans hebben om de besproken gegevens te laten bezinken.

Indien voor hypnotherapie gekozen wordt, zal in de tweede sessie de cliënt meestal de ervaring leren om in trance te gaan. Het is belangrijk dat aan deze fase van het leren ervaren van trance aandacht wordt besteed, vooraleer de koe bij de horens te vatten.

Na een kort gesprek zet de cliënt zich in een rustig ontspannen houding, kan eventueel nog zijn laatste vragen en kwijt en dan volgt de inductiefase. De inductiefase is de eerste fase van hypnose, die bij elke hypnose herhaald zal worden, doch over het algemeen steeds sneller en gemakkelijker verloopt. De therapeut en de cliënt kiezen samen voor een inductietechniek die bij deze cliënt past. Er zijn tientallen tot honderden inductietechnieken beschreven in de literatuur en het komt nog zelden voor dat dezelfde techniek voor alle cliënten geschikt is.

De cliënt volgt de suggesties en laat zich leiden naar een toestand van diepe relaxatie en ontspanning terwijl de trance langzaam optreedt. De therapeut volgt de tekenen van trance en kan eventueel vragen stellen aan de cliënt over zijn ervaring. Nu de trance langzaam optreedt volgt als tweede fase de verdiepingsfase. De therapeut geeft een aantal suggesties die de cliënt toelaat om dieper weg te zakken in een trance totdat die diepte waarvan zijn onbewuste vermoedt of oordeelt dat best aan het probleem gewerkt kan worden.

In de derde fase start het therapeutische werk. Directe of indirecte suggesties worden gegeven of de therapeut kan naargelang de strategie vragen stellen aan de cliënt. Ook tijdens deze fase is de cliënt zich bewust van wat er gebeurt. Naargelang de diepte van de trance, zal zijn bewustzijn breder of smaller gefocust zijn.

Op het einde worden meestal een aantal aangepaste suggesties ingebouwd die het onbewuste toelaten om gedurende de volgende dagen of weken verder aan het probleem te werken en te zoeken naar een eigen creatieve oplossing.

Naar het einde van de sessie toe, geeft de therapeut een aantal suggesties die toelaten om met een fris en helder gevoel terug uit deze toestand van trance te komen.

Nadien volgt nog een korte nabespreking waar de cliënt over zijn ervaringen vertelt en de therapeut eventueel nog vragen van de cliënt kan beantwoorden. Naargelang het probleem, kan de therapeut aan de cliënt vragen om thuis zelf beginnen oefenen met zelfhypnose en eventueel andere opdrachten in de context van de therapie uit te voeren. Naargelang het probleem zijn meerdere sessies nodig en dikwijls komt het voor dat geopteerd wordt om gesprek met hypnotherapie te combineren, zodanig dat de cliënt de kans krijgt om de dingen zowel op bewust als op onbewust niveau door te werken
 

Indicaties voor hypnose

Zoals eerder vermeld, wordt hypnose gebruikt als aanvulling bij de behandeling van verschillende gewone ziekten als kanker, aids, reuma, allergie, hypertensie, huidziekten, pijn, torticolli, ...

Hypnose kan een nuttig instrument zijn in de behandeling van een ganse reeks psychische problemen zoals stress, angst, hyperventilatie, overspanning, depressie, verslaving, burn out, faalangst, examenangst, fobie, slaapstoornissen, psychosomatische klachten, eetstoornissen, relatieproblemen, ...

Daarnaast kan hypnose een goed hulpmiddel zijn om jezelf te ontwikkelen als mens en persoonlijke doelstellingen te bereiken zoals motivatie, concentratievermogen, examens voorbereiden, sportprestaties verbeteren, mentale training, meditatie, creativiteit, beslissingen nemen, problemen analyseren, onbewuste blokkades wegwerken, ...

Daarnaast worden hypnotische technieken door hypnotherapeuten vaak aangewend in gewone gesprekstherapie zonder dat er sprake is van hypnose. Goede resultaten worden hier geboekt in o.a. verslaving, angst, hyperventilatie, ...


Besluit
 

Hypnose verricht geen mirakels, maar is wel een waardevol middel naast alle andere technieken die de geneeskunde ter beschikking heeft. Geen enkele remedie lost alle problemen op, elke remedie heeft zijn eigen indicatie. Wel is hypnose, indien goed aangewend, een relatief onschadelijke en zeer specifieke vorm van behandelen. Indien men de klassieke geneeskunde niet weggooit, is het een nuttige aanvulling, zeker in die gevallen waar weinig alternatieven voorhanden zijn.

Dr Paul Koeck

Indien U reacties hebt op dit artikel of meer inlichtingen wenst over het Centrum voor Stressbegeleiding of het Milton H. Erickson Institut van Vlaanderen, kan u ons een E-mail zenden op: coachingcoachteam.com


Hypnose, een volwaardig hulpmiddelOnze Tijd   (01/02/2001)

Publications (01/02/2001) - Hypnose, een volwaardig hulpmiddel

Hypnose heeft lange tijd een negatieve bijklank gehad als spektakelkunst. Intussen heeft het de kermissfeer verlaten om in de wereld van de exacte wetenschap een plaats te veroveren.

Hypnose, een volwaardig hulpmiddel

Artsen en tandartsen gebruiken regelmatig hypnose bij de behandeling van slapeloosheid, stress en pijn. Geen sprake van toverij, wel van een doeltreffend hulpmiddel. Op voorwaarde dat het door een getrainde en ervaren arts of psycholoog wordt gebruikt. Gezonde argwaan is volgens dokter Erwin De Bisscop van het Korzybski Instituut in Brugge - één van de plaatsen waar hypnose gedoceerd wordt - geen hinderpaal voor een goede medewerking bij hypnose. “Wanneer een patiënt weerstand biedt, kan je dat juist gebruiken tijdens de hypnosesessie. Het maakt dat de patiënt nog sneller dan anderen in trance raakt zonder het zelf te merken.” En dat kunnen we ten volle beamen, want om een idee te hebben van wat hypnose is, deden we de proef op de som. In één oogwenk waren we vertrokken, ook al meenden we een muur van verzet te hebben opgebouwd. Denk nu niet dat we in slaap vielen. Integendeel… het leek eerder een vorm van verhoogde concentratie. Geen handengeklap en maffe verhalen. Alles ging heel gewoon. Vanzelfsprekend is het raadzaam u enkel in handen te geven van een wetenschappelijk opgeleid persoon die eerst en vooral kan uitmaken of hypnose aangewezen is en die meteen kan ingrijpen, mocht er iets verkeerd gaan. Het enige wat u kan overkomen, is dat u niet meteen wenst uit trance te komen en in slaap valt. Bij het ontwaken is de trance uiteraard voorbij

Psychosomatiek

Hypnose heeft voor sommigen nog altijd een slechte naam. In de media verschenen geregeld berichten over showhypnotiseurs. Mensen zouden misbruikt worden tijdens de hypnose. Op zich helemaal geen nieuw fenomeen want aan het einde van de negentiende eeuw gaven neurologen aan Parijse dames van de aristocratie demonstraties in salons. Deze artsen waren er niet alleen op uit grof geld te verdienen en vrouwen te charmeren: zij werden eveneens aangetrokken door de faam die ze ermee verwierven. De maatschappelijke context was uiteraard helemaal anders. De bourgeoisie had ontzettend veel macht. Hysterische verlammingen en flauwtes waren schering en inslag. En de arts slaagde erin spectaculaire genezingen te bekomen. De ziektes van vorige eeuw maakten plaats voor aandoeningen waarbij de psychosomatiek (de invloed van de geest op het lichaam) een belangrijke rol speelt: spanningshoofdpijn, hyperventilatie, chronische pijn, vermoeidheid, angst…. Stuk voor stuk aandoeningen die via hypnose verholpen kunnen worden. Stilaan worden er wetenschappelijke verklaringen gevonden voor de resultaten zodat hypnose totaal uit de showwereld verdwijnt en een verdiende plaats krijgt in de genees kunde

Wat is hypnose?

U kent ongetwijfeld het volgende fenomeen: u bent helemaal in de ban van een spannend boek en hoort niet dat er tegen u gesproken wordt of u vergeet zelfs uit de trein te stappen wanneer u ter bestemming bent. Dit is een voorbeeld van spontane, alledaagse trance. Hypnose is dus allesbehalve een slaaptoestand, maar eerder een vorm van verhoogde concentratie. De aandacht richt zich op één gegeven of op een onderdeel van de werkelijkheid. Al de rest verdwijnt in het niets. De hersenen gaan zich heel intens concentreren op de doelwitinformatie. Herinnert u zich hoe groot uw concentratie moest zijn toen u leerde auto rijden? U had het gevoel alles tegelijk te moeten coördineren. Eens een leerproces is verworven, verhuist het naar het onderbewuste. Trance laat u toe op elk moment dat u nieuwe en belangrijke informatie wil opnemen, enkel deze te selecteren die relevant is voor uw ontwikkeling. De arts of hypnotherapeut stimuleert de toestand van natuurlijke trance bij de patiënt op een systematische en professionele wijze. Zodoende kan deze nieuwe ervaringen opbouwen die moeten helpen een probleem op te lossen. Wanneer u emotionele processen moet verwerken, is het soms nuttig het gevoel overweldigd te worden opzij te kunnen zetten en zich te concentreren op de kern van de zaak. Of zoals Dr. Paul Koeck van het Milton H. Erickson institute of Flanders het stelt: “U kunt op één aspect van het probleem inzoomen en daaraan werken terwijl u de andere eventjes laat rusten. Dit maakt het makkelijker om stap voor stap te zoeken naar een oplossing.” De bewuste geest richt op één ding en intussen kan het onderbewuste ervoor zorgen dat het geheel gerespecteerd blijft. Onder hypnose worden er suggesties gegeven waarop u dankzij de verhoogde toestand van concentratie reageert. Iets wat in de gewone waaktoestand onmogelijk is.

In een ruimer kader

Toch wil Dr. Paul Koeck benadrukken dat hypnose geen wondermiddel is, maar een mooie aanvulling van de mogelijkheden die de klassieke geneeskunde ons biedt. “Mensen moeten beseffen dat hypnose nooit een opleiding op zich is, het past in een ruimer wetenschappelijk kader als arts of tandarts. Daarnaast is het van kapitaal belang dat iemand niet alleen in staat is om een ander in trance te brengen en er ook weer uit te halen. Hij of zij moet ook aan ‘problemsolving’ kunnen doen. Hypnose lost niets op, het geeft enkel de te volgen weg aan.” Dr. Erwin De Bisscop stelt: “De beste resultaten behalen wij bij de gevallen die we kunnen rangschikken onder ‘craving’. Dit zijn alle mogelijke dwangmatige verlangens naar alcohol, tabak, chocolade…. De hypnose is slechts een hulpmiddel binnen een algemene therapie waarbij naar oplossingen wordt gezocht. Hypnose helpt, maar biedt niet dé oplossing. Als therapeut moet je over voldoende levenservaring beschikken om bijvoorbeeld PTSD-patiënten (slachtoffers van verkrachting, aanranding, ... die aan posttraumatische stress lijden) te helpen. De weg naar genezing is soms lang en moeilijk, zowel voor de patiënt als de therapeut. In het opleidingscentrum maakt hypnose deel uit van de opleiding gezinstherapie in het 3de en het 4de jaar.

Pijnbestrijding

Concreet kunt u bij pijn leren om u te concentreren op een andere positieve ervaring in een ander lichaamsdeel zodat de pijnbeleving vermindert en draaglijk wordt. Dr. Paul Koeck: “Het is mogelijk in een toestand van diepe trance een gevoelloosheid te bereiken waardoor u uw gevoelsreceptoren, die pijnlijk informatie van de huid naar de hersenen doorsturen, vergeet.” In trance reageren we ook beter op suggestie. Deze kan zowel psychische, als lichamelijke functies beïnvloeden. Door suggestie kan onze bloeddruk, hartslag en zelfs de stollingstijd van het bloed beïnvloed worden.

Getuigenis

Marie-Jeanne (54): “ Na enkele sessies voelde ik me stukken beter.” “Ik ben uiteindelijk tot hypnose gekomen omdat ik niets meer te verliezen had. Ik heb borstkanker gehad. Na de radiotherapie kreeg ik te kampen met verschrikkelijke rugpijn die uitstraalde in mijn schouder. Alles heb ik geprobeerd: kiné, geneesmiddelen, osteopathie,… maar de pijn bleef. Gedurende meer dan twee jaar was ik echt gehandicapt: groenten schillen, autorijden, lezen,… dat ging niet meer. Ik ben een actief iemand en werd er zowat gek van. Het pijncentrum sprak me van hypnose. Ik ben er meteen mee begonnen. Ik voelde dat de psychiater me positief benaderde en dat gaf me de overtuiging dat zij me kon helpen. Ik kreeg bijvoorbeeld alle tijd om ‘mijn draai te vinden’. Het is immers belangrijk om zich totaal te kunnen ontspannen. Die dokter heeft me ook geleerd om me niet te fixeren op de pijn want dat doet de spanning enkel toenemen. Tijdens de sessie slaag ik erin alle geluid van buiten te weren. Ik sluit de ogen, ook al slaap ik niet. Ik laat me meevoeren door aangename gedachten. Reeds na vijf of zes sessies voelde ik een verandering. Ik kon de krachten in mij gebruiken om de pijn te beheersen. Nu kan ik het alleen thuis. Ik woon op een aanzienlijke afstand van de arts. Mijn man hoeft me niet meer brengen. Ik kan opnieuw zelf achter het stuur plaatsnemen en ben niet langer afhankelijk van anderen.”

Praktisch

  • Een hypnosesessie duurt een half uur tot een uur, soms twee uur.
  • Dikwijls volstaat een vijftal sessies om een oplossing te vinden.
  • Het Milton H. Erickson Instituut past in Antwerpen hypnose toe, o.a. in het kader van stressbehandeling. Inlichtingen: 03-237 98 98

Hypnose: Zonder pillen uit de putGoed gevoel   (02/02/2006)

Hypnose: Zonder Pillen uit de Put

Interview met Dr. Paul Koeck

De vicieuze cirkel doorbreken


Over hypnose doen nog altijd heel veel misvattingen de ronde. Dat je in trance helemaal weg bent van de wereld bijvoorbeeld, en volledig overgeleverd aan de macht van je hypnotiseur. ‘Je reinste onzin’, zegt hypnotherapeut Paul Koeck van het Antwerpse Milton H. Erickson Institute. ‘Hypnose is helemaal geen hocus-pocus, maar een doeltreffend hulpmiddel bij bijvoorbeeld stress of depressie. Wie het ondergaat, bevindt zich allesbehalve in een slaaptoestand maar in een toestand van verhoogde concentratie. Vergelijk het met in de ban zijn van een goed boek of een spannende film, dan verdwijnt ook al de rest in het niets. Als je in die toestand terechtkomt, ben je verhoogd gevoelig voor suggestie.’ Precies dat laatste maakt hypnose zo effectief bij behandeling van depressies, zegt dokter Koeck. ‘De negatieve, vastgeankerde associaties die je hebt – ik ben nergens goed voor, ik zal nooit een job vinden - kunnen met hypnose veranderd of bijgestuurd worden. Het komt erop aan die vicieuze cirkel waarin je bent terechtgekomen, te doorbreken, en opnieuw de lichtpuntjes te ontdekken.’ Concreet kan dat ondermeer door gebruik van
beeldspraak: de patiënt krijgt bijvoorbeeld de suggestie dat hij in het bos tegen een stevige eik gaat staan en de energie van die boom in zich opzuigt. Bij een andere techniek vragen hypnotherapeuten aan hun patiënten om zich te focussen op een stukje van hun lichaam dat zich wél oké voelt, bijvoorbeeld de knie of de teen, of ze gaan samen terug naar aangename herinneringen. Paul Koeck ontwikkelde ook een eigen techniek, ‘hypnotic scaling’, waarbij hij patiënten een soort “voelschaal” van 0 tot 10 aanleert. ‘0 staat voor ‘ik zit op mijn diepste’, 10 voor ‘ik ben oké’. Onder hypnose gaan we samen van onder naar boven en kijken we wat je voelt en denkt als je op de verschillende hoogtes op dieptes zit. Zo leer je op de duur te kiézen op welk niveau je wil zitten.’

Interview door Caroline De Ruyck,
Goed Gevoel, Februari 2006
 


Utilisatie in Ericksoniaanse & Oplossinggerichte therapie (1)

DE ROL VAN ‘UTILISATIE’ IN ERICKSONIAANSE EN OPLOSSINGSGERICHTE THERAPIE

Inhoud

 
Inleiding
 
1.      Ericksoniaanse therapie
1.      Geschiedenis
Korte biografie van Milton H. Erickson
Invloeden op zijn ontwikkeling
2.      Persoonlijke evolutie
Eigen beperkingen als bron van “leren”?
“Leren” als metafoor voor Ericksoniaanse therapie
Utilisatie als toegangspoort naar de ‘bestaande’ ervaring en kennis?
3.      Hypnotherapie
Erickson als hypnotiseur
Erickson als hypnotherapeut
‘Utilisatie-benadering’ binnen hypnotherapie
4.      Psychotherapie: Milton H. Erickson als therapeut
Complex therapiemodel
Ericksons bijdrage tot de psychotherapie
Vijf strategieën van Milton H. Erickson
Fragmentatie
Progressie
Afleiding
Heroriëntatie
Utilisatie
Belangrijkste technieken
Indirecte suggestie
Utilisatie
Anekdotes en metaforen
Communicatie op meerdere niveaus
Herkaderen
Het ‘unieke’ van Ericksons therapie
5.      Ericksoniaanse utilisatie
Oorsprong van het begrip ‘utilisatie’
Relationeel begrip
Waarom is utilisatie vernieuwend?
6.      Bespreking van een fragment uit transcript
 
2.      Oplossingsgerichte therapie
  1. Geschiedenis
Steve de Shazer
De “dood” van weerstand
Invloeden van oplossingsgerichte therapie
Kortdurende therapieën
  1. Op zoek naar een theorie van het ‘magische’ van Erickson
  2. Psychotherapie
Eenvoudig therapiemodel?
Oplossingsgerichte technieken
Mirakelvraag
Schaalvragen
‘Uitzonderingen’ op problemen
Pretherapeutische veranderingen
Continueringsvraag
Het ‘unieke’ van oplossingsgerichte therapie
  1. Utilisatie bij oplossingsgerichte therapie
Uitzonderingen: de constructie van oplossingen
De Shazers visie op ‘utilisatie’
  1. Fragmenten uit gevalsbeschrijving ter illustratie
 
3.      Utilisatie over de grenzen heen
1.         ‘Ericksoniaanse utilisatie’ en de oplossingsgerichte technieken
2.         ‘Utilisatie’ van weerstand
3.          De invloed van utilisatie op het therapeutische veld
Een Ericksoniaans effect?
Een maatschappelijke trend naar klantgerichtheid?
Economische druk voor snelle resultaten?
 
4.      Conclusies
 

Inleiding

De Ericksoniaanse literatuur staat vol met voorbeelden van ‘utilisatie’. Bij alle interventies van Milton H. Erickson kwam ‘utilisatie’ aan bod. Het basisprincipe van zijn ‘utilisatie-benadering’ is het gebruik maken van eender welke dominante overtuigingen, waarden, attituden, emoties of gedragingen de patiënt brengt, met de bedoeling een ervaring te ontwikkelen die therapeutische verandering zal initiëren of vergemakkelijken (Havens, 2003, p. 147). Een therapie die zich in belangrijke mate gebaseerd heeft op Ericksons werk is de oplossingsgerichte therapie van Steve de Shazer. Het doel van deze scriptie komt neer op het onderzoeken van de rol van ‘utilisatie’ in Ericksoniaanse en oplossingsgerichte therapie.
In deze scriptie kozen we ervoor om de historische lijn als structuur te volgen, zodat de lezer een duidelijk overzicht krijgt en het ontwikkelingsproces over de tijd kan reconstrueren. Bijgevolg verduidelijken we in het eerste deel van de scriptie Milton H. Ericksons therapie. Hierbij starten we met een overzicht van de geschiedenis en persoonlijke evolutie van Erickson (1901-1980). Op basis daarvan tonen we aan hoe zijn hypno- en psychotherapeutische visies zijn ontstaan. Erickson begon zijn carrière als hypnotherapeut, en ook zijn ‘utilisatie’ kwam oorspronkelijk uit de hypnose. Hieruit volgt dat we eerst zijn ‘utilisatie-benadering' van hypnotherapie zullen bespreken. Nadien heeft hij dit uitgebreid naar psychotherapie. Dit lichten we toe in het volgende deel waar we de psychotherapie van Erickson zullen bespreken. We sluiten het eerste deel af met een illustratie van Ericksons werkwijze, en dan voornamelijk gericht op zijn utilisatietechnieken. Dit lichten we toe aan de hand van een fragment uit een transcript. In het tweede deel van de scriptie verduidelijken we de oplossingsgerichte therapie (de Shazer, 1985) en brengen we de lezer op de hoogte van de Shazers zoektocht naar de essentie van Ericksons werk, en hoe dit aan de basis lag van zijn oplossingsgericht model. We beschrijven de technieken van dit therapiemodel, en zetten uiteen welke visie de Shazer heeft over Ericksoniaanse utilisatie. Afsluitend illustreren we de oplossingsgerichte technieken in de praktijk, aan de hand van enkele transcript-fragmenten van Steve de Shazer.
De probleemstelling van deze scriptie kan als volgt worden geformuleerd: Is Ericksoniaanse utilisatie de bouwsteen van oplossingsgerichte therapie? Zo ja, vernauwen we onze vraag. Hoe vertaalt zich dat precies in de oplossingsgerichte technieken van de Shazer? De uitwerking van deze probleemstelling komt aan bod in het derde deel van de scriptie via een grondige studie van de relevante literatuur. Aan de hand van de basiswerken van de Steve de Shazer en Milton H. Erickson onderzoeken we of er (en zo ja, waar, en welke) aspecten van utilisatie terug te vinden zijn in de Shazers oplossingsgerichte technieken.
Afsluitend vatten we de scriptie samen en plaatsen we de belangrijkste conclusies op een rijtje in het laatste deel.
 

1. ERICKSONIAANSE THERAPIE

Deze scriptie handelt over de rol van utilisatie in Ericksoniaanse en oplossingsgerichte therapie. De ‘utilisatie-benadering’ van trance-inductie (Erickson, 1958, 1959) en de ‘utilisatie’ van het gedrag en de symptomen van de patiënt als een integraal deel van therapie (Erickson, 1955, 1965b) maken deel uit van Ericksons originele bijdragen tot het veld van klinische hypnose en psychotherapie (Erickson, Rossi, & Rossi, 1976).
In het eerste deel van deze scriptie willen we toelichten wat er precies wordt begrepen onder Ericksoniaanse therapie. Eerst schetsen we de geschiedenis en persoonlijke evolutie van Milton H. Erickson, waaruit belangrijke implicaties voor zijn therapeutische aanpak, en bijgevolg ook zijn ‘utilisatie-benadering’, voortvloeien. Achtereenvolgens verduidelijken we zijn hypno- en psychotherapie. Erickson sprak altijd over therapie als een ‘leerproces’ (Havens, 2003). Zijn therapiemodel bleef vaag, onduidelijk en hij hield er een a-theoretisch standpunt op na (ref?Haley?). Daarnaast trachten we in dit deel ‘Ericksoniaanse utilisatie’ te verduidelijken. Dit is wellicht het meest specifieke, kenmerkende aspect van zijn therapie (Zeig?). Zelfs weerstand was iets waar hij gebruik van maakte (ref?). Afsluitend illustreren we Ericksons belangrijkste technieken aan de hand van een fragment uit een transcript.

1. Geschiedenis

Korte biografie van Milton H. Erickson

Erickson werd geboren in 1901. Hij groeide op op het platteland van Nevada en Wisconsin. Een door de landelijke levensstijl bepaalde houding vormde een integrerend deel van zijn leven (Zeig, 1980). Bij zijn geboorte had hij een aantal sensorische-perceptuele handicaps. Zo had hij een ongebruikelijke vorm van kleurenblindheid, geen gevoel voor ritme, toondoofheid en woordblindheid (Erickson & Rossi, 1977). Reeds vroeg in zijn jeugd raakte hij gefascineerd door het lezen en schrijven. Daar er op de boerderij weinig literatuur voorhanden was, hield hij zich bezig met het lezen van een kleine encyclopedie. Op 15-jarige leeftijd schreef hij zijn eerste publicatie in een nationaal tijdschrift: ‘Waarom jonge mensen de boerderij verlaten.’. Op 17-jarige leeftijd werd hij getroffen door een eerste aanval van poliomyelitis. Hij was gedurende zes maanden volledig verlamd. Pas tijdens zijn derde jaar aan de universiteit van Wisconsin volgde hij het seminarie van Clark L. Hull en begon hij zijn onderzoekingen op het gebied van hypnose. In 1928 behaalde Erickson simultaan het diploma van psychiater en psycholoog. In zijn professionele loopbaan was hij o.a. oprichter en voorzitter van de American Society of Clinical Hypnosis en oprichter en redacteur van de American Journal of Clinical Hypnosis (Zeig, 1980). Erickson was hoogleraar in de Psychiatrie aan de medische faculteit van de State University van Wayne (Zeig, 1980).
Erickson overwon een aanzienlijk aantal gezondheidsproblemen doorheen zijn leven. Op 51-jarige leeftijd kreeg hij een tweede aanval van polio. Vanaf 1967 was hij aangewezen op het gebruik van een rolstoel als gevolg van de polio. Hij leed veel pijn door de overblijfselen van zijn ziekte. Toch was Erickson zeer alert en levendig (Zeig, 1980). Hij genoot van het leven en was zeer positief ingesteld (Zeig, 1980). Erickson stierf in 1980 aan een acute infectie. Tot aan het einde toe was hij actief. Vóórdat hij plots ziek werd, had hij de bedoeling om door te gaan met doceren (Zeig?).

Invloeden op zijn ontwikkeling

Wanneer we het werk van Erickson bestuderen, stelt zich de vraag naar zijn invloeden. Binnen welke traditie werd zijn werk gesitueerd? Volgens Haley (1993) kan Erickson niet gesitueerd worden binnen de therapeutische scholen van zijn tijd. Wie waren zijn leraars? Er lijken geen enkele invloeden van andere therapeuten of mentors te zijn op de ontwikkeling van Ericksons denken. Hij was een psychiater, maar hij dacht niet zoals zijn collega’s. Gevraagd naar wat hem vooral had beïnvloed, verwees Erickson zelf niet naar een leraar, een theorie of naar de invloed van een leermeester. Hij verwees eerder naar obstakels die hij overwonnen had in zijn leven of naar inspirerende ervaringen.

2. Persoonlijke evolutie

Een aantal persoonlijke factoren en ervaringen van Erickson hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van zijn interesse, attitudes en benaderingen in autohypnose, trance en psychotherapie (Erickson & Rossi, 1977). Zijn geschiedenis en persoonlijke ontwikkeling zal ons tonen waarom “leren” centraal staat in zijn therapiemodel, en hoe utilisatie de start naar leren is.

Eigen beperkingen als bron van “leren”?

Zijn eigen aangeboren problemen dwongen hem al vroeg individuele verschillen in sensorisch-perceptueel functioneren te herkennen (Erickson & Rossi, 1977). De motivatie voor zijn eerste onderzoekingen op het gebied van hypnose met Clark Hull in 1923 kwam zo voort uit zeer persoonlijke bronnen en levenservaringen (Erickson & Rossi, 1977). Ericksons allereerste autohypnotische ervaring centreerde zich rond een proces van leren (Erickson & Rossi, 1977). Zo kon hij op zesjarige leeftijd als gevolg van zijn dyslexie het onderscheid niet maken tussen een 3 en een m, hoe hard zijn lerares het ook probeerde uit te leggen. Het was tijdens een “creatief moment van inzicht” toen hij uiteindelijk, in de hallucinatie van een verblindende lichtflits, het verschil zag tussen een letter 3 en een m. In deze vroege ervaring zien we het begin van een patroon waarin veranderde bewustzijnstoestanden over het algemeen zijn gekoppeld aan nieuwe leerervaringen (Erickson & Rossi, 1977).
Op school had Erickson de bijnaam ‘Woordenboek’, omdat hij zo vaak in het woordenboek zat te lezen (Erickson, 1977). Omwille van zijn dyslexie begreep hij de alfabetische volgorde van het alfabet niet. Daardoor was hij verplicht om bij het opzoeken van een woord telkens het ganse woordenboek door te lezen tot hij op de juiste letter was aangekomen. Tot hij plotseling, tijdens een soortgelijk creatief moment van inzicht, geleerd had hoe hij een woordenboek moest gebruiken (Erickson, 1977). Gevolg hiervan is dat geen enkele psychiater of psycholoog waarschijnlijk zo dikwijls al de verschillende meervoudige betekenissen van woorden tot in hun nuances heeft leren kennen.
Als gevolg van de polio, waardoor hij gedurende zes maanden verlamd was, heeft Erickson zich in veel opzichten opnieuw moeten trainen (Zeig?). Hij heeft zijn eigen revalidatieprogramma opgesteld door zijn jongere zusjes te observeren, om van hen te leren hoe ze leerden kruipen en lopen. Hij maakte bijgevolg geen gebruik van medische kennis maar hij “utiliseerde” de bron van informatie die het dagelijkse leven bevat. Erickson beweerde dat polio de beste leermeester was, die hij ooit gehad had over het menselijk gedrag en de mogelijkheden ervan (Zeig, 1980).

Deze ervaringen uit Ericksons leven tonen aan dat hij met zijn beperkingen heeft moeten leren omgaan, meer nog, hij heeft ze ook leren gebruiken. Bijvoorbeeld, zijn toondoofheid maakte dat Erickson zeer alert was voor de wijze waarop mensen iets zeggen, en minder afgeleid door de woorden die ze gebruiken. Ook zijn ziekte transformeerde hij op een creatieve manier; hij verbeterde zijn zintuiglijk vermogen, hij ontwikkelde een betere lichaamsperceptie, en scherpte zijn observatiemogelijkheden (Rossi, 1995). Ook leerde hij zich autohypnose aan om de pijn, veroorzaakt door de overblijfselen van de polio, te verzachten (Erickson, 1977).
Concluderend kunnen we zeggen dat Erickson zijn moeilijkheden en beperkingen zag als een bron van “leren”.

“Leren” als metafoor voor Ericksoniaanse therapie

Erickson legde veelvuldig de nadruk op therapie als een ‘leerproces’. Hij trachtte bij zijn cliënten steeds een context te scheppen om een leerervaring op gang te brengen. Erickson deed dit op een indirecte manier (ref?). Deze leerervaring is volgens hem noodzakelijk om tot verandering te komen bij de cliënt. Therapeutische verandering blijft wel de verantwoordelijkheid van de cliënt. De therapeut biedt voornamelijk een omgeving om verandering te bevorderen (ref? Havens?).
Erickson was tevens een inspirerende leraar. Hij legde een grote nadruk op ‘onbewust leren’ (Zeig, 1980). In het boek ‘Teaching seminar with Milton H. Erickson’ uit 1980, zegt Erickson: “In psychotherapy you teach a patient to use a great many of the things that they learned, and learned a long time ago, and don’t remember learning.” (pp. 38).
“Leren” is een metafoor voor de Ericksoniaanse therapie. Problemen, obstakels en handicaps kunnen mogelijkheden worden om de kennis en het kunnen te verruimen (Erickson Betty Alice, 1995). Erickson beschreef therapie als een manier om patiënten te helpen hun grenzen uit te breiden (Haley, 1967). En dat is wat Erickson ook tijdens zijn eigen leven heeft gedaan.

Utilisatie als toegangspoort naar de ‘bestaande’ ervaring en kennis?

Een essentieel aspect van Ericksons methode was een techniek die utilisatie werd genoemd. Deze term duidt op het gebruik maken van eender wat de patiënt in de therapie brengt, en eender wat er bestaat in de context, om therapeutische en hypnotische doelen te bereiken (Zeig, 2003).
Ericksons herstel van polio, toen hij 17 jaar was, ligt volgens Rossi (Erickson & Rossi, 1977) aan de oorsprong van zijn utilisatie-benadering. Hij was gedurende zes maanden volledig verlamd. Zoals reeds kort vernoemd, observeerde Erickson tijdens zijn herstelperiode zijn jongste zusje, om van haar te leren hoe ze leerde kruipen en lopen. Hij observeerde deze bewegingen en probeerde zich te herinneren hoe het voelde om deze en andere bewegingen uit te voeren, welke spieren er concreet geactiveerd werden tijdens het bewegen (Rossi & Erickson, 1977). Via vroege zintuiglijke herinneringen kon hij het gebruik van zijn spieren weer herinneren en dit opnieuw aanleren. Erickson heeft zich deze benaderingen zelf aangeleerd. Dit gebruik van het repertoire aan herinneringsbeelden en leerervaringen gaf aanleiding tot ideomotorische en ideosensorische processen, en is de basis van Ericksons utilisatie-theorie van hypnotische suggestie (Erickson & Rossi, 1976). Algemeen kunnen we dus stellen dat Erickson gebruik maakte van zijn ‘bestaande’ kennis en ervaring om te revalideren van polio.
Erickson was ook een strategisch therapeut (Zeig, 1980). Wanneer we zijn conversaties met Haley lezen, merken we meer de nadruk op dit strategische aspect. Waarschijnlijk maakte Erickson gebruik van Haleys natuurlijke aanleg voor strategie en hielp hem als “coach” zo vermoedelijk de grondslag van zijn strategische theorie te leggen.

Erickson zag utilisatie als een manier om bij de patiënt een ervaring te ontwikkelen die therapeutische verandering zal initiëren of vergemakkelijken. Hierbij maakte hij gebruik van de dominante karakteristieken van de patiënt en de context. Samenvattend kunnen we zeggen dat utilisatie de mogelijkheid biedt om een leerproces bij de cliënt op gang te brengen. In het volgende deel bespreken we Ericksons hypnotherapie, waaruit zijn utilisatie-benadering is gegroeid.
 

3. Hypnotherapie

Erickson als hypnotiseur

Erickson raakte geïntrigeerd door hypnose toen hij als student aan de universiteit van Wisconsin een demonstratie bijwoonde van Clark L. Hull. Hierna volgde hij een aantal seminaries bij deze laatste. In zijn vrije tijd ging hij zelf familieleden, vrienden en studenten hypnotiseren. In zijn eerste jaren deed Erickson vooral onderzoeken naar de natuur van hypnose en ontwikkelde daar een eerdere interactieve - communicatiebenadering van hypnose als middel om de patiënt nieuwe ideeën te communiceren en aan te leren (Haley, 1967). Dit in tegenstelling tot het meer autoritaire model dat in de medische wereld voor hypnose gangbaar was. Hypnotiseerbaarheid was niet meer een eigenschap van de patiënt maar van de communicatie tussen patiënt en hypnotherapeut: hoe beter de therapeut “utiliseert” of gebruik maakt van wat de patiënt brengt, hoe groter de slaagkans.

Erickson als hypnotherapeut

In de jaren vijftig was Milton H. Erickson (1901-1980) een ‘outsider’, die hoofdzakelijk gekend was als een groot medisch hypnotherapeut (ref?). De meerderheid van zijn lezingen, demonstraties en publicaties handelde over de hypnose en hypnotherapie. Zijn therapiebenadering was ongewoon en controversieel. Erickson is de grondlegger van de moderne hypnotherapie (Rosen, 1982). Hij was bekend om zijn indirecte vormen van hypnotische suggestie (ref?). Dit in tegenstelling tot andere hypnotherapeuten van zijn tijd die met directe suggesties werkten. In plaats van traditionele trance-inducties te gebruiken, focuste Erickson op “naturalistische technieken” die simpelweg kunnen voortkomen uit de interactionele situatie (de Shazer, 1985).
Erickson veronderstelde in ieder persoon een ‘onbewuste’ en hechtte grote waarde aan de wijsheid van dit onbewuste. Hij schreef het belangrijke probleemoplossende en creatieve capaciteiten toe, en hypnose beschouwde hij als een hulpmiddel om deze mogelijkheden te stimuleren (van der Hart, 1979). Erickson en Rossi (1979) zien hypnotherapie als een proces waarmee ze mensen helpen van hun eigen mentale associaties, herinneringen en levenspotentieel gebruik te maken om hun eigen therapeutische doelen te bereiken.
In Ericksons visie is hypnose een natuurlijk verschijnsel. Zijn ‘utilisatie-benadering’ (Erickson, 1965) ontstond en ontwikkelde deels uit zijn recognitie dat alle hypnotische trance fenomenen natuurlijk en spontaan gebeuren in alledaagse levenssituaties (Dolan, 1985). De term ‘utilisatie’ komt dus oorspronkelijk uit Ericksons hypnose en is nadien uitgebreid naar psychotherapie. Niettegenstaande Erickson zich inderdaad voor het grootste deel met hypnose heeft bezig gehouden, zijn de technieken en de stijl die hij binnen de hypnose ontwikkelde achteraf een onderdeel geworden van zijn therapie in brede zin. Ook de scholen die uit Erickson zijn gegroeid, werkten niet meer altijd met hypnose maar veel van de basisbeginselen zoals utilisatie bleven een onderdeel uitmaken. Voorbeelden hiervan zijn de oplossingsgerichte korte therapie van de Shazer en de ‘Possibility therapy’ van Bill O’Hanlon.
In het volgende deel brengen we de lezer op de hoogte van Ericksons ‘utilisatie-benadering’ binnen de hypnotherapie.

‘Utilisatie-benadering’ binnen hypnotherapie

Alvorens we Ericksons visie op utilisatie bespreken, geven we eerst de omschrijving die het Van Dale handwoordenboek van hedendaags Nederlands geeft aan het woord “utilisatie”: “het ten nutte maken, nuttig gebruik” (van Lat. utilis = nuttig).

Utilisatie is een centraal principe in Ericksons werk (Zeig, 1992). ‘Ericksoniaanse utilisatie’ is gebaseerd op de filosofie dat de unieke kwaliteiten van elke cliënt een resource zijn die positief kunnen gebruikt worden (Havens, 2003). De Ericksoniaanse therapeut stimuleert vroegere onherkende resources.

In zijn artikel ‘Naturalistic Techniques of Hypnosis’ uit 1958, zegt Erickson:

“By naturalistic approach is meant the acceptance and utilization of the situation encountered without endeavouring to psychologically restructure it. In so doing, the presenting behaviour of the patient becomes a definite aid and an actual part in inducing a trance, rather than a possible hindrance.” (Erickson, 1958, p. 1)

In hetzelfde artikel uit 1958, zegt Erickson nog:

“There is an imperative need to accept and to utilize those psychological states, understandings and attitudes that the patient brings into the situation. …The acceptance and utilization of those factors …promotes more rapid trance induction, the development of more profound trance states, the more ready acceptance of therapy, and greater ease for the handling of the total therapeutic situation.” (Erickson, 1958, p 9)

Ericksons hypnotherapie wordt gekenmerkt door een ‘naturalistische’ of ‘utilisatie-benadering’, waarbij de unieke persoonlijkheid en gedragingen van de cliënt worden benut om trance te bevorderen (Erickson & Rossi, 1979). De aandacht van de cliënt wordt gefixeerd op een of ander belangrijk aspect van zijn persoonlijkheid of gedrag (Erickson & Rossi, 1979). Ericksons methoden zijn gebaseerd op het benutten of utiliseren van de eigen attitudes, gedachten, gevoelens en gedragingen van de cliënt, en aspecten van de reële situatie, als de essentiële componenten van de trance inductieprocedure (Erickson, 1959).
In de utilisatie-benadering ligt de nadruk op het voortdurend aan bod laten komen van het unieke repertoire van vaardigheden en mogelijkheden van elke cliënt. De indirecte vormen van suggestie zijn hierbij de middelen waarmee de therapeut dit kan bevorderen (Erickson & Rossi, 1979). De ‘utilisatie-benadering’ van trance-inductie (Erickson, 1958, 1959) en de ‘utilisatie’ van het gedrag en de symptomen van de patiënt als een integraal deel van therapie (Erickson, 1955, 1965b) maken deel uit van Ericksons originele bijdragen tot het veld van klinische hypnose en psychotherapie (Erickson, Rossi, & Rossi, 1976). Zijn ‘utilisatie’-methode is één van de manieren waarop “klinische” hypnose verschillend is van de traditionele benaderingen van experimentele en onderzoekshypnose. De utilisatiebenadering activeert en ontwikkelt verder wat er reeds in de patiënt zit, eerder dan trachten iets op te leggen van buiten uit, dat niet zou passen binnen de individualiteit van de patiënt (Erickson & Rossi, 1976).
Ericksons ‘utilisatie-benadering’ van hypnotherapie kan gezien worden als een proces in drie fasen: (1) een periode van voorbereiding waarin de therapeut het repertoire van levenservaringen van de cliënt exploreert en tevens constructieve referentiekaders naar voor laat komen die de cliënt oriënteren in de richting van therapeutische verandering; (2) een activeren en benutten (‘utilisatie’) van de eigen mentale vaardigheden van de cliënt gedurende een periode van therapeutische trance; (3) een nauwgezette herkenning, erkenning, evaluatie en bekrachtiging van de therapeutische verandering die plaatsvindt (Erickson & Rossi, 1979).

Utilisatie sloeg bij Erickson niet alleen op het benutten van eender wat je bij de patiënt merkt, maar even goed op het gebruik maken van de persoonlijke stijl en ervaringen van de therapeut. In zijn audio-opname van september 1962, verwijst hij (hier in de context van hypnose) ook duidelijk naar het belang van de eigen resources van de therapeut of arts te utiliseren:

“My own induction techniques are expressive of me, of my timing, my rythm, my personality, my emotional feeling, my attitude towards my patient. So is it with anybody else. …
… what I whish to present to you is my understanding of how the doctor should feel when undertaking to induce a trance: what he should understand about the situation, what he should know about himself, what he should know and understand about the patient” (Erickson, 1962, p.1)

In dit citaat lijkt Erickson te refereren naar het gebruik maken of “utiliseren” van zowel de situatie, de patiënt, als de therapeut.

In het artikel ‘Hypnosis in Medicine’ uit 1944 zegt Erickson:

“The able hypnotist is the one who is able to adapt technique to the personality needs of each subject.” …
“Properly, hypnotists should have a good appreciation of their own personality and capabilities so that they may adapt themselves to the specific personality needs of each subject.” (Erickson, 1944, p. 4)

In dit artikel over hypnose duidt Erickson reeds op het belang van het aanpassen van de techniek aan de persoonlijkheid van de cliënt, in plaats van de cliënt te laten passen in een bepaalde techniek. De hypnotherapeut ‘utiliseert’ dus eigenlijk de persoonlijkheid van de cliënt. En omgekeerd ‘utiliseert’ hij ook zijn eigen persoonlijkheid en bekwaamheden om zich te kunnen aanpassen aan de cliënt. Dit vraagt van de therapeut een flexibiliteit om zich aan te passen aan het unieke van iedere cliënt.

“Each person is a unique individual. Hence, psychotherapy should be formulated to meet the uniqueness of the individual’s needs, rather than tailoring the person to fit the Procrustean bed of a hypothetical theory of human behavior.” (Ericksons citaat in Zeig, 1982, p. 8)

Erickson & Rossi, 1979 (p. 415):
“Yes, therapy should always be designed to fit the patient and not the patient to fit the therapy.”

Hieruit volgt dat Erickson tegen iedere vorm van theoretisering was. Hij zag ieder persoon als uniek, en dus zou voor elke persoon een aparte theorie nodig zijn. Erickson werkte niet vanuit de theorie, maar altijd vanuit het doel. Volgens Rosen (1979) is zijn doelgerichtheid een belangrijk kenmerk van zijn leven en werk. Erickson kon utilisatie enkel gebruiken omdat hij utilisatie koppelde aan een observatie, met in het achterhoofd een doel. Uitstekende observatievaardigheden zijn bijgevolg van het grootste belang, aangezien zelfs de kleinste gedragsveranderingen belangrijke informatie geven over de interesses en mogelijkheden van de patiënt. Van deze informatie kan de hypnotherapeut vervolgens gebruik maken om de patiënt te helpen een “trance” te bereiken (ref?). Therapie bestaat dan uit het gebruik maken van wat de persoon vroeger reeds heeft geleerd en dit toe te passen op andere wijzen, in andere contexten (ref?). In plaats van iets nieuws te creëren, hielp Erickson bijgevolg eerder de mogelijkheden van de patiënt te ontwikkelen en gebruik te maken van wat hij reeds heeft (Erickson & Rossi, 1976).

Samenvattend kunnen we stellen dat volgens Erickson alles wat tijdens de sessie gebeurt, gebruikt kan worden om therapeutische verandering te initiëren, of het nu weerstand, emoties, bepaalde gedragingen of interesses van de cliënt zijn. Het aansluiten bij, en het benutten van de unieke kenmerken van de cliënt vinden we terug bij al zijn gevalsbeschrijvingen (Zeig, 1993). We zullen Ericksons ‘utilisatie-benadering’ illustreren aan de hand van een voorbeeld uit de klinische praktijk.

4. Psychotherapie: Milton H. Erickson als therapeut

Zoals uiteengezet in het vorige deel, was Erickson oorspronkelijk een hypnotherapeut. Zijn psychotherapeutische visies zijn gegroeid uit de hypnose. Wat wordt nu precies bedoeld met ‘Ericksoniaanse therapie’? Ericksoniaanse therapie omvat het brede veld van creatieve methoden die geïnspireerd werden door het leven en werk van Milton H. Erickson (Hoyt, 1995).

Complex therapiemodel

Ericksons therapiebenadering was ongewoon en controversieel. Hij deed kortdurende therapieën in een periode waarin de enige geaccepteerde therapie psychodynamische lange termijntherapie was. In die tijd veronderstelde men dat lange termijntherapie nodig was om verandering te brengen. Erickson richtte zich meer op het heden dan op het verleden, terwijl in orthodoxe therapie tot in de jaren vijftig de focus volledig op het verleden lag. Ook deed hij hypnose in een periode dat dit niet geaccepteerd werd, en hypnose niet ‘wetenschappelijk’ was. Vandaag de dag merken we dat het therapieveld naar Ericksons richting is verschoven. Dit merken we onder meer aan de opkomst van kortdurende therapieën, de vele therapieën waar de focus op het hier en nu ligt, en de aanvaarding van hypnose binnen de psychotherapie.

Erickson is niet eenvoudig te situeren binnen één van de grote therapeutische scholen. Hij vertrok niet vanuit één van de standaard therapie-ideologieën van zijn tijd. Volgens Haley (1993), die 17 jaar met Erickson studeerde, baseerde Erickson zijn ideeën niet op de psychodynamische theorie en maakte hij geen gebruik van de interpretatie van het onbewuste, het basisinstrument van deze benadering. Ook de basispremissen van de gedragstherapie of het gebruik van het hoofdinstrument, expliciete positieve bekrachtiging, accepteerde Erickson niet. Hij baseerde zich ook niet op de systeemtheorie en hun basisidee dat het gedrag van iedereen in een systeem het product is van het gedrag van alle anderen in het systeem. Het is opmerkelijk dat een therapeut zo gekend kan zijn en zijn typische gevalsbeschrijvingen zo wijd verspreid zijn, terwijl zijn basisideologie in vele opzichten onduidelijk blijft (Haley, 1993).

Erickson ontwikkelde een heel eigen therapiebenadering, die moeilijk terug te voeren is op een duidelijke theoretische onderbouw. Erickson gebruikte zelden of nooit definities. In feite was hij tegen iedere vorm van theoretisering omdat volgens hem iedere persoon uniek is en bijgevolg een aparte theorie zou vragen. Hij richtte zich niet op algemeenheden, maar op de individuele bijzonderheden. Het a-theoretisch karakter van zijn benadering maakt het heel moeilijk om zijn therapie samen te vatten en te zoeken naar de essentie van Ericksons therapie. Bijna iedere cliënt benaderde hij anders, wegens zijn overtuiging van het unieke van elke persoon. Een nadeel is bijgevolg dat zijn benadering moeilijk in kaart te brengen is, er is geen eenduidig protocol.
In de conversaties tussen Erickson en de psychoanalyticus Wolberg uit 1945 bemerken we dat Erickson niet het wetenschappelijk paradigma gebruikt, maar uitgaat van wat hij ziet en hoort (zijn utilisatiebenadering). Misschien is dit wel het essentiële verschil tussen de psychoanalyse en Erickson, nl. dat de psychoanalyse uitgaat van onderzoek en theorie, terwijl Ericksons therapie niet vertrekt vanuit een theorie, wel vanuit zijn eigen ervaring en observatie. Erickson gebruikte zijn creativiteit en flexibiliteit. Een nadeel dat hieruit volgt, is dat zijn therapie minder meetbaar is.

Ericksons bijdrage tot de psychotherapie

Milton H. Erickson wordt vaak erkend als de belangrijkste autoriteit op het gebied van hypnotherapie en korte strategische psychotherapie (Zeig, 1980). Hij wordt beschouwd als een van de meest creatieve, scherpzinnige, vindingrijke, doch moeilijk te doorgronden psychotherapeutische persoonlijkheden aller tijden. Ook wordt Erickson dikwijls vernoemd als ’s werelds grootste expert in het communiceren (Zeig, 1980).
Nochtans bleef zijn werk relatief onbekend en weinig geaccepteerd toen hij nog leefde. Pas op het einde van zijn leven werd Milton H. Erickson een belangrijke inspiratiebron voor grote therapeuten zoals Jay Haley en Paul Watzlawick. Zo heeft hij een belangrijke invloed gehad op de hypnotherapie, gezinstherapie en interactionele benaderingen. Zowel het Korte therapiemodel van het Mental Research Institute te Palo Alto (Weakland, Fish, Watzlawick, & Bodin, 1974), de strategische benadering van Jay Haley (Haley, 1976), als het oplossingsgerichte korte therapiemodel (de Shazer, 1985) werden beïnvloed door Erickson. Ook is hij de inspiratiebron achter de N.L.P. (Neuro Linguistic Programming) van Bandler en Grinder (1974).

Vijf strategieën van Milton H. Erickson

Dan Short was directeur van de archieven van de Milton Erickson Foundation. Daardoor heeft hij Ericksons werken goed kunnen bestuderen. Volgens Short (workshop, 2003) maakte Erickson gebruik van vijf strategieën, waarin we zijn technieken kunnen onderbrengen: fragmentatie, progressie, afleiding, heroriëntatie en utilisatie. Erickson was niet de enige persoon die deze strategieën gebruikte, maar er zijn weinig scholen die alle vijf de strategieën gebruiken (Short, 2003).
Erickson individualiseerde veel van zijn technieken. Hij paste de technieken zowel aan het ‘unieke’ van iedere patiënt aan, als aan zijn eigen persoon. Zo was de manier van werken tijdens zijn actieve periode, verschillend van toen hij in een latere periode in een rolstoel zat.
Short (2003) benadrukt het belang van een goed begrip van de strategie, of anders geformuleerd de therapeutische functie, alvorens een techniek te gebruiken.

Fragmentatie
Deze strategie die duidt op het in kleinere delen opsplitsen van de problemen, en de ervaringen van de cliënt. Het is het doorbreken van negatieve associaties door het verdelen van een overstelpende realiteit in kleinere, eenvoudiger te verwerken delen (Short, 2003). Dit fragmenteren van de problemen kan ervoor zorgen dat er hoop wordt geïnstalleerd en dat de cliënt beter met zijn problemen kan omgaan. Algemene technieken die onder deze strategie zijn terug te brengen, zijn o.a.: functionele analyses (gedrag, antecedenten, consequenten), symptoomdefinitie: tijd, plaats, graad van ernst, gesplitst bewustzijn: ego-states, inner guide, bewust/onbewust, en prognostische opsplitsing: graad en volgorde van herstel.
Hieronder volgt een kort voorbeeld van fragmentatie uit het klinisch werk van Erickson (Short, 2003). Hij vertelde een patiënt dat het beste wat hij kon verwachten, een 50% succesratio zou zijn. Erickson verwachtte dus dat hij 50-55% van de tijd zou falen. De man startte een discussie met Erickson over het feit dat als het zo dicht was (zo’n klein verschil), het een klein beetje in zijn voordeel zou moeten zijn. De patiënt was degene die disputeerde over zijn toekomstige vooruitgang. Bijgevolg verschoof Erickson de ratio naar 45% falen. Uit dit voorbeeld blijkt dat Erickson plaats laat om te falen.

Progressie
Deze strategie gaat ervan uit dat de cliënt altijd wel één kleine stap kan maken die al een vooruitgang is. Het is het opbouwen van een serie kleine successen. Bijgevolg wordt er meer hoop gecreëerd. Voorbeelden van technieken zijn: progressieve relaxatie, desensitisatie, mirakelvraag, schaalvragen.

Afleiding
Deze strategie betreft een aandachtsverandering die resulteert in een grotere capaciteit om toegang te krijgen tot automatische gedragspatronen. Hieruit volgt vaak een afname van spanning en inhibitie.

Heroriëntatie
Het heroriënteren van problemen is een strategie die kan helpen als de cliënt ‘vastzit’. Het is vergelijkbaar met het kijken naar een oud probleem vanuit een nieuw perspectief. Technieken die onder deze strategie thuishoren, zijn onder meer het herkaderen (reframing) en het externaliseren van problemen.
Utilisatie
Short (2003) ziet utilisatie als een strategie. Hier zien we weer dat utilisatie vanuit deze invalshoek tevoorschijn komt. Erickson sprak zelf over ‘utilisatie-technieken’, terwijl Zeig (2003) Ericksoniaanse utilisatie eerder een oriëntatie noemt dan een techniek.

Belangrijkste technieken

In deze tekst zal ik een selectie van zijn belangrijkste technieken beschrijven. Al zijn technieken hier beschrijven lijkt een onmogelijke opdracht daar ze zo talrijk zijn. Indien mogelijk benaderde hij iedere patiënt anders, en gebruikte hij telkens een nieuwe techniek. Ik bespreek een aantal typisch Ericksoniaanse technieken die hij vaak toepaste zoals indirecte suggestie, utilisatie, het gebruik van anekdotes en metaforen, communicatie op meerdere niveaus, herkaderen.
Utilisatie mag zeker niet ontbreken in een tekst over Ericksons belangrijkste technieken. Aangezien we in het volgende hoofdstuk ‘Ericksoniaanse utilisatie’ dieper op de techniek ingaan, wordt deze hier slechts kort vernoemd.

Indirecte suggestie
Alhoewel Erickson vrij direct kon zijn, was zijn typische benadering indirect. Hij maakte veel gebruik van indirecte methoden, met de bedoeling onbewuste verandering tot stand te brengen. Volgens hem functioneren mensen het beste wanneer zij automatisch of onbewust functioneren, dit wil zeggen zonder tussenkomst of belemmering van het bewustzijn (Zeig, 1980).

Utilisatie
Voor een uitgebreide bespreking van deze belangrijke Ericksonsiaanse techniek verwijzen we de lezer naar het volgende hoofdstuk ‘Ericksoniaanse utilisatie’.

Anekdotes en metaforen
Om veranderingen in het onbewuste van zijn patiënten teweeg te brengen, maakte hij gebruik van anekdotes, en metaforen. Zijn gebruik van anekdotes hield een sterk ontwikkeld en effectief gebruik van verbale communicatie in (Zeig, 1980). De meerderheid van de anekdotes die Erickson vertelde, waren niet-fictieve beschrijvingen van gebeurtenissen uit zijn eigen leven en uit het leven van zijn gezin en van zijn patiënten (Zeig, 1980). De beste manier om anekdotes te gebruiken is om ze zorgvuldig op iedere afzonderlijke patiënt af te stemmen en aan hem aan te passen. Ze moeten zodanig zijn opgebouwd dat ze binnen het denkkader van de patiënt passen.

Communicatie op meerdere niveaus
Ericksons manier van communiceren was complex. Hij gebruikte communicatie consequent op meerdere niveaus, en formuleerde zijn woorden heel doordacht en nauwkeurig. Zo gebruikte hij zinswendingen die voor meerdere uitleg vatbaar waren, en kaderde die in anekdotes of verhalen die een metafore strekking hadden. Therapeutische communicatie op meerdere niveaus kan een krachtig technisch middel zijn (Zeig, 1980).

Herkaderen
Herkaderen of “reframing” is een techniek om een andere en positieve attitude ten opzichte van de symptomatische situatie te bewerkstelligen (Zeig, 1980). Herkaderen is de techniek van het definiëren van een probleem op een iets andere manier dan de patiënt het probleem definieert. Anekdotes kunnen ook gebruikt worden om een probleem te herkaderen.

Het ‘unieke’ van Ericksoniaanse therapie

Omwille van het a-theoretisch karakter van zijn werk, hebben vele studenten pogingen ondernomen om de essentie van zijn benadering te ontdekken en te beschrijven, met de bedoeling het werk meer toegankelijk te maken. O’Hanlon (1987) ziet Ericksons utilisatie-benadering als de belangrijkste bijdrage tot therapie. Volgens Rossi (1976, 1979, 1981), een leerling van Erickson en tevens Jungiaans analyst, zijn de twee grootste kenmerken uit Ericksons werk de indirecte vormen van suggestie en de utilisatie-benadering. De Lanktons (1983) vernoemen drie typische kenmerken van Ericksons benadering, nl. indirectie, utilisatie en communicatie op meerdere niveaus.
Ook de Shazer, de oprichter van de oplossingsgerichte therapie, was lange tijd op zoek naar de onderliggende fundamentele Ericksoniaanse theorie. In het tweede deel van deze scriptie zullen we zijn bevindingen nader toelichten.
Samenvattend kunnen we stellen dat utilisatie een centraal aspect lijkt te zijn in Ericksoniaanse therapie. Al zijn leerlingen hebben het principe van utilisatie opgenomen in hun theorieën en methoden. Toch lijken elk van zijn opvolgers slechts een stukje van zijn werk te hebben genomen, en dus niemand zijn volledige visie. Allen leggen ze meer de nadruk op een ander aspect uit Ericksons werk.

5. Ericksoniaanse utilisatie

Oorsprong van het begrip ‘utilisatie’

Wanneer we de literatuur van Milton H. Erickson bestuderen, bemerken we het begrip ‘utilisatie’ voor het eerst in Ericksons vroege experimentele werk. Erickson (1958) schreef de utilisatie-methode toe aan een onderzoek uit 1943, omschreven in zijn artikel ‘Hypnotic investigation of psychosomatic phenomena: a controlled experimental use of hypnotic regression in the therapy of an acquired food intolerance’.
Als we over utilisatie spreken in deze scriptie, is het belangrijk steeds het onderscheid voor ogen te houden tussen utilisatie als een woord en ‘utilisatie’ als een ‘technische term’. Het effectief invoeren van utilisatie als uitgesproken begrip, zodat het woord evolueert naar een ‘technische term’, is vermoedelijk vooral ontstaan in interactie met zijn latere leerlingen, en vanuit zijn wens dat de volgende generatie, wel theorieën zouden ontwikkelen, waar hijzelf steeds beweerde dat het te vroeg was om de inzichten die hij aan het opbouwen was, reeds in een (misschien voor hem té limiterende) theorie te gieten. In de literatuur van Erickson vinden we nergens een eenduidige definitie voor het begrip ‘utilisatie’.
In het boek ‘Healing in Hypnosis’ (1983) dat Erickson schreef met Ernest Rossi als junior coauteur. Rossi schrijft hier:

“What was worse, Erickson was quickly learning to spoof me by periodically using my own terms (…) with sly seriousness. He was starting to teach me by utilizing the concepts already in my own mind! I could only stop that by more or less shutting up on my own vocabulary and struggling to use his. But some translations and modifications were required. Although I could understand and appreciate his benign use of the words “technique” and “manipulate”, we agreed that the concepts of indirect hypnotic approaches and the utilization of mental mechanisms would be more appropriate conceptualisations.” (Rossi, 1983, p. 48)

De veelvoudige moeilijkheden die Erickson moest overwinnen door de toevallige kleine trucjes van het dagelijkse leven te ontdekken, maakte waarschijnlijk het dagelijks utiliseren of gebruik maken van al wat bruikbaar is tot de normaalste zaak in zijn leven. Waardoor het misschien niet onlogisch is dat het begrip voor hem zo evident was, dat het geen aparte theorie hoefde.

Het principe van utilisatie is ondertussen door meerdere van zijn leerlingen beschreven en uitgebreid. Haley (1973) beschreef het belang van het accepteren van weerstand; de Lanktons (1983) besproken Ericksons concept van het utiliseren van weerstand; Dolan (1985) onderzocht Ericksoniaanse utilisatie bij patiënten met chronische problemen en weerstand; de Shazer (1988) beschreef hoe men de geschiedenis van ‘uitzonderingen’ van de cliënt kan utiliseren.

Relationeel begrip

Utilisatie is een relationeel begrip en zit bijgevolg in de communicatie tussen de patiënt en de therapeut. In zijn artikel ‘Special techniques of brief hypnotherapy’ uit 1954, zegt Erickson:

“Essentially the purpose of psychotherapy should be the helping of the patient in that fashion most adequate, available, and acceptable. In rendering the patient aid, there should be full respect for and utilization of whatever the patient presents.” (Erickson, 1954, p.21)

Zeig, een leerling van Erickson, gelooft dat alle goede ‘communicatoren’ utiliseren. Zoals reeds vernoemd in de scriptie ziet Zeig (2003) utilisatie niet louter als een techniek maar eerder als een oriëntatie. Utilisatie was voor Erickson een levensstijl, en een manier van kijken naar mensen en problemen. Utilisatie was een integraal deel van zijn persoon. Zeig (1992) zegt:

“Utilization can be defined as the readiness of the therapist to respond strategically to any and all aspects of the patient or the environment”(Zeig, 1992, p.256).

Volgens hem kan elk aspect van de therapie-ervaring gebruikt worden, bijvoorbeeld de stijl van de patiënt, zijn gedragingen, geschiedenis, en familie. De therapeut kan ook gebruik maken van symptomen en weerstand. Hij kan zelfs het sociaal systeem van de patiënt en zijn omgeving benutten (Zeig, 1992).

Een citaat van Freud dat een goede omschrijving van Erickson geeft:

“It is not a modern dictum but an old saying of physicians that these diseases are not cured by the drug but by the physician, that is by the personality of the physician, inasmuch as through it he exerts a mental influence (Freud, 1905).”

De persoonlijkheid van de arts/therapeut oefent een belangrijke (mentale) invloed uit op zijn cliënten, en bijgevolg ook op hun ziekten/problemen. De persoonlijkheid van de therapeut is dus een krachtig middel bij het uitoefenen van psychotherapie.
Erickson spreekt ook over het utiliseren van de persoon van de therapeut…
Over het algemeen utiliseren grote therapeuten eigenschappen van zichzelf. Zowel Erickson als de Shazer maken gebruik van hun persoonlijkheid en mogelijkheden, niet alleen bij het ontwikkelen van hun respectievelijke model maar ook tijdens hun therapieën met cliënten.
Zo maakte Erickson op een constructieve wijze gebruik van zijn persoonlijkheid (ervaringen/handicaps/beperkingen) in therapeutische situaties.

Waarom is utilisatie vernieuwend?

Door de aandachtsverschuiving op leerprocessen, is de nood om aan te sluiten op de ervaring en kennis van de leerling belangrijk. We hebben hier te maken met een resources-model en geen pathologie-model. Utilisatie is dus een vernieuwend begrip, dat Milton H. Erickson vooral naar voor heeft gebracht.
Het onderliggend basisprincipe van al zijn technieken en methoden is utilisatie (Hoyt, 1995). De essentiële paradigmatische shift is van deficieten naar sterktes, van problemen naar oplossingen, van verleden naar toekomst (Fish, 1990, 1994), utiliseren van alles wat de patiënt brengt in dienst van gezonde verandering (de Shazer, 1988).

***Einde deel 1***

Utilisatie in Ericksoniaanse & Oplossinggerichte therapie (2)

6. Bespreking van een fragment uit een transcript

In dit deel zullen we Ericksons werkwijze in zijn therapieën illustreren aan de hand van een fragment uit een transcript. Deze transcript-sessie betreft een demonstratie tijdens een vijfdaagse workshop voor therapeuten, waar Erickson sprak over algemene procedures van zijn hypnose en therapie. Erickson demonstreerde hier ook hypnose en psychotherapie met de aanwezige studenten. In de tweede kolom wordt commentaar gegeven bij zijn werkwijze. We zullen voornamelijk Ericksons ‘utilisatie-technieken’ illustreren en bespreken (Zeig, 2003).

Sally (S) is het subject van Ericksons demonstratie. Het is de tweede dag van de workshop en Sally was er de eerste dag niet. Ze komt ongeveer 15 minuten te laat binnen en Erickson gebruikt haar meteen als subject. Hij vraagt aan Rosa, de vrouw die naast hem zit en waarmee hij een demonstratie wilde aanvangen, om haar stoel wat op te schuiven zodat Sally naast Erickson kan gaan zitten. Sally kruist haar benen.
 

 
(1)
 
 
(2)
 
 
 
 
 
 
 
(3)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
(4)
(5)
 
 
(6)
(7)
 
 
 
 
(8)
(9)
 
(10)
(11)
 
(12)
(13)
 
 
 
 
(14)
(15)
(16)
(17)
(18)
(19)
(20)
(21)
(22)
 
 
 
 
(23)
(24)
 
 
(25)
(26)
 
 
 
(27)
 
(28)
 
 
 
(29)
 
(30)
 
(31)
(32)
(33)
 
E:
 
 
S:
 
 
 
 
 
 
 
E:
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
S:
E:
 
 
S:
E:
 
 
 
 
E:
S:
 
E:
S:
 
E:
S:
 
 
 
 
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
 
 
 
 
S:
E:
 
 
S:
E:
 
 
 
S:
 
E:
 
 
 
S:
 
E:
 
S:
E:
S:
 
You don’t need to cross your legs.
 
 
(S. laughs.) I thought you might comment on that. OK. (S. uncrosses her legs.)
 
 
 
 
 
Our foreign visitors may not know, “a dillar, a dollar, a ten o’clock scholar”.
But you know that rhyme, don’t you?
 
 
 
 
 
 
No.
(Incredulous.) You never learned about a dillar, a dollar, a ten o’clock scholar?
I don’t know the rest of it.
Frankly, I don’t either. (Sally laughs.)
 
 
 
Are you feeling comfortable?
No, actually I walked in in the middle of things and I’m,…I uh.
And I never met you before.
Mmm…I did see you one time last summer. I came with a group.
Did you go into a trance?
I believe so, yeah. (Nods her head.)
 
 
 
 
You don’t know.
I believe so. (S. nods head “yes.”)
Just a belief?
Uh-huh.
A belief, and not a reality?
It’s sort of the same.
(Incredulous.) A belief is a reality?
Sometimes.
Sometimes. Is this belief of yours, that you went into a trance, a reality or a belief? (S. laughs, and clears her throat. She seems embarrassed and self-conscious.)
Does it matter? (Group laughter.)
That’s another question. My question is, is your belief a belief or a reality?
I think that it is probably both.
Now a belief may be an unreality and it can be a reality. And your belief is both, an unreality and a reality?
No. It’s both a belief and reality. (S. shakes and holds her head.)
You mean it is both a belief which could be a reality…or an unreality and it is also a reality? Now which is it? (S. laughs.)
I really don’t know right now.
 
Well, why did you take so long to tell me that? (Sally laughs.)
I don’t know that either.
Are you feeling comfortable?
Oh, I’m feeling better, yeah. (Speaking softly.) I hope that people here are not bothered by my interruption.
 
Erickson zegt dat ze haar benen niet hoeft te kruisen. Hij wilde dat Sally open was voor zijn suggesties.
S. antwoordt erg snel op Erickson, door haar benen weer naast elkaar te plaatsen, en ze blijft in een open houding. S. geeft een tegenstrijdigheid aan, want het lijkt of ze op het niet-verbale niveau (met haar lichaamstaal en de rest van haar gedrag) coöperatief is, maar op verbaal niveau is ze niet zo meegaand.
 
E. doet hier iets dat verwarrend is; hij vertelt een niet alledaags kinderrijmpje[1], wat een indirect commentaar is op het feit dat ze te laat was.Op hetzelfde moment gebruikt hij ook de ‘seeding-techniek’; door het rijmpje legt hij de basis voor het uiteindelijke gebruik van regressie. Hij zorgt ervoor dat ze terugdenkt aan haar kindertijd, omdat een aantal van zijn komende technieken gebaseerd zijn op het ontlokken van herinneringen en ervaringen uit de kindertijd.
 
 
 
 
 
Eigenlijk wist E. wel hoe het verder ging, maar hij wilde het indirecte commentaar op haar te laat komen, onbewust houden. En door het meteen met haar eens te zijn, gaf E. aan dat ze iets gemeen hadden.
 
 
 
 
 
 
E. vraagt of ze al eerder in trance is geweest.
Opnieuw zit er een tegenstrijdigheid in haar antwoord. Op verbaal niveau zegt ze dat ze ‘gelooft van wel’, maar op het non-verbale niveau knikt ze met haar hoofd, waarmee ze aangeeft dat ze instemt.
 
 
Erickson start hier een ‘verwarringsinductie’. Hij gebruikt hiervoor een utilisatietechniek. Hij gebruikt nl. haar woorden om de verwarring te creëren. Sally kwam zelf met het idee van een ‘geloof’. E. begint onmiddellijk te praten over werkelijkheid en geloof, en een werkelijkheid dat een geloof kan zijn. E. maakt hier woordspelingen mee. Erickson ‘utiliseert’ dus wat Sally hem geeft.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Door gebruik te maken van verwarring, laat E. haar steeds ongemakkelijker voelen.
 
De enige manier voor Sally om hieraan te ontkomen, is door iets ondubbelzinnigs te zeggen.
Dit is de eerste ondubbelzinnige uitspraak die Sally doet. Ze geeft zich gewonnen. Ze laat nu meer zekerheid zien.
Op dit moment vermindert Erickson de spanning, en stopt hij de verwarring.
 

Dit fragment toont hoe Erickson het gedrag van Sally op een indirecte manier beïnvloedt. Sally heeft vier opvallende karaktereigenschappen, en Erickson maakt van alle vier gebruik. Ten eerste, ze spreekt zichzelf meerdere malen tegen. Bijvoorbeeld: ze wil niet opvallen, en toch komt ze te laat binnen. Ze plaatst zichzelf op de voorgrond door te laat te komen. Ten tweede, ze is een dominant persoon. Op het verbale niveau laat ze niet toe om in de positie van student te zijn. Ze laat zichzelf niet toe om op verbaal niveau in de ‘one-down’ positie te zijn. Op non-verbaal niveau daarentegen, is ze meer responsief. Een derde eigenschap is haar behoefte om heel precies te zijn en geen fouten te maken. Bovendien is ze ontwijkend in haar manier van praten. Een vierde eigenschap is dat ze koppig is.
Erickson werkt therapeutisch met Sally. Hij helpt haar om nieuwe, constructieve associaties op te bouwen, die uiteindelijk haar gedrag gaan sturen. Erickson vergroot haar flexibiliteit en biedt haar de gelegenheid om dubbelzinnig te zijn, om haar fouten te laten maken en zich toch prettig te voelen. In het verdere verloop van het transcript zien we dat Sally een nieuw patroon leert. Ze heeft geleerd niet ontwijkend te zijn. Erickson helpt haar zekerder te zijn en meer duidelijkheid te tonen. Hij geeft haar bekrachtiging wanneer ze zekerder is.
(16) tot (29): Voorbeeld van een verwarrings-inductie. In elke inductie die Erickson deed, zat volgens hem een verwarringselement. De essentie van zo’n verwarrings-inductie is het creëren van een spanning, die dan gevolgd wordt door een concrete suggestie. Erickson heeft in dit fragment drie dingen gedaan om spanning te creëren. Ten eerste, hij liet haar onverwacht naast zich zitten, wanneer zij achteraan in de kamer wilde gaan zitten. Ten tweede, hij vertelde haar het (verwarrende) kinderrijmpje. En ten derde, hij gebruikte de verwarringstechniek.
In bovenstaand transcript werd door Erickson de techniek van ‘utilisatie’ getoond. Ten eerste, wanneer Sally te laat binnen komt, gebruikt Erickson haar om hypnose te demonstreren. Hij “utiliseert” haar acties, haar gedragingen, haar patronen om hypnose te ontlokken. Erickson maakte dus gebruik van haar te laat komen. Ten tweede, hij gebruikte voor de verwarringsinductie een utilisatietechniek, hij maakte gebruik van haar woorden om verwarring te creëren.


[1] ‘A dillar, a dollar, a ten o’clock scholar, what makes you come so soon. You used to come at ten o’clock and now you come at noon.’ De letterlijke vertaling van dit kinderrijmpje luidt: een dillar, een dollar, een geleerde om tien uur, waarom ben je zo vroeg gekomen? Vroeger kwam je altijd om tien uur en nu met het middaguur (vert.).

***Einde deel 2***

Utilisatie in Ericksoniaanse & Oplossinggerichte therapie (3)
  1. OPLOSSINGSGERICHTE THERAPIE

 
Milton H. Erickson heeft een grote invloed uitgeoefend op Steve de Shazer en zijn oplossingsgerichte korte therapie of Solution-Focused Brief Therapy (SFBT)[1].
In het tweede deel van de scriptie zetten we uiteen hoe het oplossingsgerichte therapiemodel is ontstaan en op welke manier Erickson dit model heeft beïnvloedt. Vervolgens bespreken we SFBT en de oplossingsgerichte technieken. Hierna lichten we het belang van ‘utilisatie’ toe in de Shazers model. Afsluitend illustreren we aan de hand van een aantal fragmenten uit een gevalsbeschrijving hoe de Shazer utilisatie gebruikt in zijn therapie.
 

1.      Geschiedenis

 
Oplossingsgerichte therapie is een vorm van korte therapie ontstaan midden jaren 80 in Amerika, meer bepaald ontstaan uit het werk van Steve de Shazer en zijn team van het “Brief Family Therapy Center” in Milwaukee (O’Connell, 1998).
Alvorens zijn therapiemodel en bijhorende technieken te verduidelijken, bespreken we eerst de geschiedenis van SFBT en hoe de Shazer ertoe gekomen is zijn model te ontwikkelen.
 
Steve de Shazer
 
Steve de Shazer is directeur en medeoprichter van “The Brief Family Therapy Center” (1978) in Milwaukee. Hij is de auteur van vijf boeken, en verscheidene professionele artikels. De Shazer was oorspronkelijk socioloog van opleiding. Hij startte met korte therapie in 1969.
Oplossingsgerichte therapie is ontstaan uit het eigen, vroege probleemgerichte werk tussen 1970 en 1982 (de Shazer, 2000) en uit de klinische praktijk (de Shazer, Berg, Lipchik, Nunnally, Molnar, Gingerich en Weiner-Davis, 1986). Namelijk gewoon door te kijken wat werkte voor de cliënt en dit opnieuw te doen. Zo ontdekten ze dat hun cliënten even effectief geholpen werden door een “toekomstgericht” gesprek, dan door te praten over de problemen in het verleden.
 
Eind jaren 60, begin jaren 70 probeerde de Shazer een onderliggende theorie te bouwen rond het werk van Milton H. Erickson. Maar wat hij ook probeerde, de benadering werkte nooit voor al Ericksons gevalsbeschrijvingen.
De “dood” van weerstand
In 1979 ontwikkelde de Shazer een nieuw perspectief op weerstand. De Shazer’s doorbraak kwam er in 1984 met zijn artikel ‘The death of resistance’, waarin hij zijn aparte visie op weerstand uiteenzette. Een belangrijk theoretisch punt van de Shazer (1985) is een verwerping van het traditionele concept van onbewuste weerstand tegen verandering bij de cliënt. Hieruit volgt dat hij een model heeft ontwikkeld dat geen rekening houdt met weerstand. Volgens zijn model is er geen weerstand als de therapeut zich richt op de uitzonderingen, resources en oplossingen. Indien er toch weerstand is, komt dit doordat de therapeut het opgewekt heeft. De Shazers visie op weerstand verschilt duidelijk van Erickson, die in zijn therapieën zelfs gebruik maakte van weerstand. Volgens Erickson (1965) zou weerstand moeten bekeken worden voor wat het is, een deel van het totale probleem dat de cliënt in therapie brengt. De Shazer (1984) zegt dat weerstand door de therapeut kan gezien worden als bewijs voor de ”unieke” “manier van samenwerken” van de cliënt.
 
In zijn boek ‘Keys to solution in brief therapy’ uit 1985, zegt de Shazer:
 
“I became more and more convinced that clients really do want to change. Certainly some of them found that the ideas about how to change did not fit very well. However, I found it difficult to label this as “resistance” when it seemed to be a message the clients were sending in an effort to help them. Over and over I found people sent to me by other therapists (complete with the label “resistant client”) to be both desperate for change and highly cooperative.” (de Shazer, 1985, p. 15)
Hieruit volgt dat, volgens de Shazers visie, weerstand even goed een functie kan zijn van de interventies van de therapeut, als dat weerstand een functie is van de cliënt. Misschien dat cliënten weerstand bieden aan technieken die voor hen niet goed aanvoelen, die niet goed bij hen passen. De Shazer en zijn team trachten weerstand te minimaliseren en samenwerking van de cliënt te ontlokken door cliënten complimenten te geven over wat ze reeds doen om hun probleem proberen op te lossen.

Invloeden van oplossingsgerichte therapie 

SFBT is erg beïnvloed door het werk van Milton Erickson (1954), en in het bijzonder door Ericksons utilisatieprincipe (Haley, 1985; Rossi, 1980). De Shazer gelooft, net zoals Erickson, dat mensen de resources en mogelijkheden hebben om hun eigen problemen op te lossen.
Ook Jay Haley’s strategische therapie heeft een invloed gehad op SFBT. Een andere belangrijke inspiratiebron is het Korte probleemgerichte therapiemodel van Watzlawick, Weakland en Fisch (MRI-groep te Palo Alto). Er zijn meerdere gelijkenissen tussen dit ‘Korte therapie’ model en oplossingsgerichte therapie (de Shazer, 2000). Beide modellen baseren zich op het werk van Milton Erickson en hanteren het principe van minimale interventie (de Shazer, 2000). Volgens de Shazer (2000) is het belangrijkste verschil dat het Korte therapiemodel zich richt op het stoppen van het probleem (de interacties tussen de cliënt en anderen die toevallig de moeilijkheid onderhouden), terwijl oplossingsgerichte korte therapie gericht is op het initiëren van de oplossing (de interacties tussen de cliënt en anderen die plaatsvinden i.p.v. de moeilijkheid). Korte therapie gaat er namelijk vanuit dat problemen zelfonderhoudende gedragingen met zich brengen. Hieruit volgt dat de therapeut zal nagaan wat de cliënt precies doet in zijn (mislukte) pogingen om het probleem op te lossen. Dit in tegenstelling tot de Shazer die focust op uitzonderingen, nl. momenten waarop het probleem zich niet voordoet, en waarbij er volgens hem al delen van de oplossing aanwezig zijn in het leven van de cliënt. Hij gaat er vanuit dat geen enkel probleem zich de ganse tijd voordoet. Bij SFBT ligt de nadruk tijdens de sessies meer op deze uitzonderingen: wat er op deze ‘probleemvrije’ momenten juist anders is, wat de cliënt anders doet, hoe de interacties met anderen plaatsvinden,…
 

Kortdurende therapieën

Zowel Ericksons therapie als oplossingsgerichte therapie zijn korte therapieën. Eerst geven we in dit deel een beknopte geschiedenis van de korte therapie, vervolgens lichten we toe wat korte therapie precies inhoudt
Korte therapie kent een lange geschiedenis, die begint bij Freud. Sigmund Freud (1856-1939), de grondlegger van de psychoanalyse, lag ook aan de basis van de korte therapie. In zijn vroege gevalsbeschrijvingen (Breuer & Freud, 1893-1895) bemerken we dat hij actief werkte met patiënten en hen behandelde in dagen, weken, en maanden. Psychoanalyse was echter ook een onderzoeksinstrument en de vroege pioniers raakten gefascineerd door de psychologische fenomenen (zoals oedipale fantasieën en overdrachtsneurosen) die verschenen als de therapeut relatief inactief en neutraal bleef terwijl de patiënt vrij associeerde. Hierdoor werd de behandeling langduriger (Hoyt, 1995). Ferenczi en Rank (1925) gingen in tegen de veronderstelling dat analyse langdurend hoefde te zijn en ze experimenteerden met meer actieve behandelingsmethoden. Toch bleef de psychoanalytische gemeenschap verwerend/verdedigend en vijandelijk tegenover de idee dat therapie die niet langdurend en ‘diepgaand’ was, van enige blijvende waarde kon zijn. Begin jaren ‘50 exploreerden meerdere personen het gebruik van psychodynamische principes in een actievere en kortere behandeling. Malans invloedrijke studies (1963, 1976) demonstreerden de effectiviteit van korte termijn dynamische therapie. Hij beklemtoonde de nood aan zorgvuldige assessments en de nood om een therapeutische focus voor het werk te behouden (O’Connell, 1998).
Ondertussen bleef het (kortdurende) werk dat de psychiater Milton Erickson in Phoenix, Arizona deed nog relatief onbekend. Wat later, voornamelijk door de publicatie van Haley’s ‘Uncommon Therapy’ in 1973, werd zijn unieke benadering van hypnose en psychotherapie erkend. Belangrijke therapeuten van de korte strategische benadering, die geïnspireerd zijn door Erickson, zijn Haley, Madanes, en het werk van het ‘Mental Research Institute’ te Palo Alto en het ‘Brief Family Therapy Center’ te Milwaukee (de Shazer). Terwijl psychodynamische therapeuten die meer kortdurend wilden werken, hun inspiratie haalden uit het werk van Sifneos (1972), Mann (1973), Malan (1963, 1976), en Davanloo (1978, 1980) (Hoyt, 1995).
 
Concluderend kunnen we zeggen dat Erickson zijn eigen (kortdurende) therapiebenadering ontwikkelde, net zoals zijn unieke benadering van hypnose. Vele therapeuten werden door hem beïnvloedt, zoals ook de Shazer en zijn oplossingsgerichte korte therapie.
 
De Shazer (2000) omschrijft “korte therapie” als volgt:
“For me, the term ‘brief’ is not a limiting notion (in terms of number of sessions, etc.) except that it means ‘as few sessions as possible, not one more than necessary’.” (BFTC homepage)
 
De duur van psychotherapie is nu een belangrijk actueel onderwerp binnen het psychotherapeutisch veld waarover heel wat gepraat en gediscussieerd wordt, terwijl het in de jaren 50 en 60 (onder invloed van de psychoanalytische theorieën) lange tijd onbesproken is gebleven. Verscheidene auteurs hebben verschillende definities gegeven over wat zij verstaan onder korte therapie. Zo betekent korte therapie voor de psychodynamische auteur Malan (1976), tussen vier en vijftig sessies. Terwijl Mann (1973), ook een pychodynamisch therapeut, er een vast aantal sessies op kleefde, namelijk twaalf. Anderen pleiten dan weer voor een één-sessie-therapie. Alhoewel er grote verschillen zijn tussen verschillende korte termijntherapeuten, is er een graad van consensus dat korte therapie betekent ‘minder dan twintig sessies’ (O’Connell, 1998).
De fundamentele assumptie van alle korte therapievormen is een attitude en verwachting dat significante en positieve veranderingen relatief snel mogelijk zijn (Hoyt, 1995).
 
Wat zijn nu de hoofdkenmerken van korte therapie? Volgens Budman, Friedman, en Hoyt (1992) zijn dit:
  1. Snelle en algemeen positieve werkrelatie tussen therapeut en patiënt.
  2. Duidelijke, specifieke en bereikbare behandelingsresultaten en doelen.
  3. Duidelijke definitie van de verantwoordelijkheden van therapeut en patiënt, met een relatief hoge activiteit van therapeut en patiënt.
  4. Nadruk op de sterktes, competenties, en capaciteiten van de patiënt.
  5. Verwachting van verandering, het geloof dat verbetering mogelijk is.
  6. Nadruk op het hier-en-nu, de belangrijkste focus ligt op het huidige functioneren en denk-, gevoels- en gedragspatronen, en hun alternatieven.
  7. Tijdsgevoeligheid.
 
Onderzoek (Bloom, 1992; Rosenbaum, Hoyt, & Talmon, 1990; Hoyt, 1995; Rosenbaum, 1994) toont aan dat korte termijnpsychotherapie even effectief is als niet in tijd gelimiteerde psychotherapie, ongeacht de diagnose of duur van de therapie. Toch is volgens de meeste kortdurende therapeuten korte therapie ongeschikt voor bepaalde problemen zoals psychotische symptomen, zelfmoordpogingen, alcohol- of drugverslavingen, of ernstige persoonlijkheidsstoornissen.
 

2.      Op zoek naar een theorie van het ‘magische’ van Erickson

 
Vanaf 1969, wanneer de Shazer met korte therapie begon, probeerde hij de essentie van therapie te vinden. Hij zocht naar een essentie die hem een stabiele basis gaf; een aantal “wetenschappelijke”, “structuralistische” assumpties (de Shazer, 1994, p. 29).
Ericksons werk fascineerde hem; elke gevalsstudie was blijkbaar uniek en er leek geen theorie of essentie te zijn. Bijgevolg vertrok hij van Ericksons publicaties, en zocht naar een onderliggende, fundamentele theorie waarop Erickson zijn benadering bouwde.
Ook volgens Haley (1967) is het moeilijk om Ericksons therapeutische technieken te onderzoeken, omwille van het feit dat er geen adequaat theoretisch kader beschikbaar is om het te omschrijven.
De Shazer geloofde dat uit de gevalstudies van Erickson een essentie kon gehaald worden. Hieruit zou volgens hem dan een theorie opgebouwd kunnen worden die regels bevatte. Regels die expliciet genoeg zijn zodat een therapeut Ericksons regels gewoon kan volgen, wanneer hij/zij met een cliënt werkt (de Shazer, 1994). De therapeut zou dan weten wat te doen, en in de mogelijkheid zijn het te doen.
 
De Shazer ontwikkelde een vijftal theoretische constructen, waar hij de gevalsstudies van Erickson in wou onderbrengen. Vrij snel ontdekte hij dat hij genoodzaakt was een zesde categorie te maken om de niet te klasseren gevalstudies, of uitzonderingen, in onder te brengen. Deze laatste categorie leek al gauw de meerderheid van Ericksons gevalsbeschrijvingen te bevatten (de Shazer, 1994). De Shazer was ervan overtuigd dat een op regels gebaseerde benadering uiteindelijk zou werken. Op die manier ontwikkelde hij samen met zijn team een eenvoudig model gebaseerd op een aantal Ericksoniaanse technieken.
 
Een onderliggende theorie was bijgevolg niet mogelijk. Hij kwam tot de conclusie dat deze uitzonderingen binnen de theorie, en binnen de regels ervan hoorden. Ze mochten zeker niet uit de theorie gehaald worden, maar dienden ondergebracht te worden binnen de regels van een theorie. De vele uitzonderingen die de Shazer bij Erickson ontdekte, brachten hem ertoe een therapiemodel te construeren rond ‘uitzonderingen’. De uitzonderingen waren immers minstens zo belangrijk dan de regels, of vermoedelijk nog belangrijker (de Shazer, 1985).
De Shazers ontdekking van “uitzonderingen” op problemen, begin jaren 80, lag aan de basis van zijn model. De Shazer en zijn collega’s merkten dat er bij de cliënt momenten waren waarop het probleem ofwel minder erg was, ofwel afwezig.
 
Concluderend kunnen we zeggen dat de Shazer op zoek was naar de essentie van Ericksons benadering en bijgevolg zijn werk ging observeren. Hij ontdekte de vele uitzonderingen bij Erickson, en dit vormde meteen de basis voor de Shazers eigen, oplossingsgerichte model.
 

3.      Psychotherapie

 
SFBT is een oplossingsgerichte korte therapeutische benadering die patiënten helpt zelf oplossingen te construeren door te focussen op hun eigen resources[2]. De benadering gaat uit van de respectvolle assumptie dat iedereen over voldoende resources beschikt om zijn problemen op te lossen. Delen van de gewenste oplossing zijn dikwijls al aanwezig in het leven van de patiënt, en liggen aan de basis voor verandering. De therapeut intervenieert enkel voor zover noodzakelijk, en de behandeling duurt gewoonlijk minder dan zes sessies.
SFBT is een cliëntgericht model: de nadruk ligt op sterktes, competenties, resources en oplossingen van de cliënt en zijn omgeving, eerder dan tekorten en pathologie. De focus is gericht op de toekomst, niet op het verleden of de etiologie van de problemen. Er wordt gezocht naar ‘uitzonderingen’, momenten waarop het probleem zich niet voordoet.
De Shazer (2001) maakt een duidelijk onderscheid tussen doelen en oplossingen: “Doelen” zitten vervat binnen het concept van het mirakel, en de gevolgen van het mirakel (de gevolgen van het bereiken van doel(en)) wordt een “oplossing” genoemd.
 
SFBT werd reeds toegepast in meerdere settings met een variëteit aan populaties en problemen: drug- en alcoholverslaving, huiselijk geweld, seksueel misbruik, schoolproblemen, chronisch mentale ziekten, huwelijksconflicten, gevangenispopulatie. Het model trekt wereldwijd praktijkbeoefenaars aan omwille van zijn eenvoudige, praktische, en respectvolle benadering van werken met mensen (Berg, homepage BFTC).
 

Eenvoudig model?

 
Op het eerste zicht lijkt SFBT een eenvoudige benadering. Volgens de Shazer (1985, 1988) is het proces van het “recreëren” van uitzonderingen technisch gezien vrij eenvoudig. Hij noemt zijn model “Simple but not easy”. De mirakelvraag en de schaalvraag zijn de meest gebruikte SFBT-technieken, en dienen om de focus tijdens de sessies op de toekomst en oplossingen te richten. Maar volgens de Shazer (1998) vraagt het wel vaardigheid om te weten hoe en wanneer deze technieken te gebruiken, en wat er daarna mee te doen.
 
De centrale filosofie van SFBT (de Shazer & Berg, 1989) bestaat uit drie stellingen:
1.      “If it ain’t broke, don’t fix it.” Wat niet stuk is, moet je niet maken; handen af van wat goed gaat in de beleving van de cliënt.
2.      “Once you know what works, do more of it.” Als iets werkt, doe dan zo voort, ook al is het totaal anders dan hetgeen de therapeut verwacht had.
3.      “If it doesn’t work, don’t do it again, do something different.” Meer van hetzelfde dient tot niets.
 

Oplossingsgerichte technieken

 
De Shazer, Berg, en collega’s ontwikkelden een aantal specifieke oplossingsgerichte technieken,gebaseerd op het werk van Milton Erickson (de Shazer, 1988). De technieken die hier besproken worden, zijn: mirakelvraag, schaalvragen, ‘uitzonderingen’, pretherapeutische veranderingen, en continueringsvraag. Vooral de eerste drie technieken zijn als het ware de fundamenten van SFBT (de Shazer, 1998).
 

De mirakelvraag

De meeste bekende techniek is de mirakelvraag (de Shazer, 1988, 1991). Deze werd ontwikkeld begin jaren 80 en de bedoeling was om het gesprek snel en gemakkelijk te kunnen verschuiven naar een toekomst waarin de problemen opgelost zijn (de Shazer, homepage BFTC). In het oplossingsgerichte model stelt de therapeut tijdens de eerste sessie gewoonlijk deze vraag aan de cliënt (de Shazer, 1991): “Laat ons aannemen dat er zoiets als mirakels bestaan, en dat er zich deze, of één van de volgende nachten een mirakel voordoet. Dit mirakel maakt dat de problemen waarvoor je naar hier kwam, opgelost zijn. En dat alles terwijl je sliep, je van niets bewust. Hoe stel je de volgende morgen vast dat het mirakel gebeurd is? Wat stellen de mensen rondom jou vast?”
Toekomstprojecties laten de cliënt beschrijven hoe hij zijn leven ziet zonder de problemen waarvoor hij in therapie komt. Ze helpen hem concrete alternatieven omschrijven, andere keuzemogelijkheden dus. De mirakelvraag kan cliënten helpen om zich te focussen op hun therapiedoelstellingen en kan er ook voor zorgen dat ze zich optimistischer voelen wat betreft hun situatie.
 

Schaalvragen

Schaalvragen worden zeer vaak gebruikt in SFBT. De therapeut kan de patiënt vragen zijn/haar probleem, vooruitgang, perceptie, motivatie, voorspelling, of eender welk klinisch relevant onderwerp op een schaal van nul tot tien te situeren (de Shazer, 1994). Een voorbeeld: “Kun je je een schaal voorstellen van nul tot tien, als nul het ogenblik is waarop je een afspraak maakte, en tien als het mirakel gebeurd is? Waar situeer je je nu, tussen nul en tien? Wat doe je nu anders dan op nul?” Schaalvragen zijn een manier om vooruitgang bij de cliënt te evalueren.
 

‘Uitzonderingen’ op problemen

Binnen de visie van SFBT zijn er zowat altijd uitzonderingen. Geen enkel symptoom is er elk moment van de dag, vierentwintig op vierentwintig uur, alle dagen van het jaar. SFBT-therapeuten stellen uitzonderings-vragen aan hun cliënten om te identificeren wanneer het probleem minder erg of afwezig was, en wat ze toen deden (de Shazer, 1988). “Zijn er momenten waarop het probleem minder voorkomt, of helemaal niet? Wanneer? Wat gebeurt er dan?” Het zoeken naar uitzonderingen op problemen laat cliënten ontdekken dat ze reeds keuzes maken, en dat ze reeds oplossingen voorhanden hebben.
 

Pretherapeutische veranderingen

Dit zijn een bijzondere vorm van uitzonderingen. Soms stellen cliënten reeds een zekere verbetering vast tussen moment waarop de afspraak wordt gemaakt en de eerste sessie (de Shazer, 1988). Toch zijn ze zich er meestal niet van bewust. Wanneer de therapeut hen vraagt waar ze zich bevinden op een schaal van nul tot tien, als nul het moment is dat ze zich aanmelden, en tien het moment dat ze het niet meer nodig vinden om te komen, komen ze soms tot de vaststelling dat ze zich hoger situeren dan nul.
 

Continueringsvraag of ‘First session formula’ taak

Op het einde van de eerste sessie kan deze taak aan de cliënt gegeven worden: “Ik zou je willen vragen om, tussen deze en de volgende sessie, te observeren wat er gebeurt in jouw leven (familie, huwelijk, relatie, …) dat je  wil blijven behouden” (de Shazer, 1985). Deze continueringsvraag werd ontwikkeld met als doel de focus van de cliënt te verplaatsen van het verleden naar huidige en toekomstige gebeurtenissen, en impliciet verwachtingen van verandering te promoten. De Shazer gelooft, net zoals Erickson, dat verandering niet enkel mogelijk is, maar ook onvermijdelijk (de Shazer, 19??).

Het ‘unieke’ van het oplossingsgerichte model

 
SFBT verschilt van probleemoplossende benaderingen door zijn filosofie en technieken. Volgens SFBT kan het “probleem-oplossende” paradigma, dat algemeen geaccepteerd is in de meeste behandelingsmodellen, gezien worden als een medisch model. Dit in tegenstelling tot het oplossingsgerichte therapiemodel, dat kan beschreven worden als een “oplossings-opbouwende” benadering. Op basis van resources bij de cliënt worden oplossingen opgebouwd. Deze twee activiteiten zijn erg verschillend van elkaar en hebben belangrijke implicaties voor de klinische praktijk (DeJong & Berg, 1998).
Wat oplossingsgerichte therapie onderscheidt, zijn o.a. twee assumpties: (1) SFBT gaat er vanuit dat de toekomst gecreëerd en tot stand gebracht wordt, hierdoor kan een persoon (ondanks traumatische gebeurtenissen in het verleden) vele bruikbare stappen tot stand brengen en implementeren die hem/haar kunnen leiden naar een meer bevredigend leven. (2) de cliënten hebben al de resources, vaardigheden en kennis om hun leven beter te maken, als ze beslissen dat dit goed voor hen is en als ze voor zichzelf dingen beter willen. Een kleine verandering kan het begin zijn van een groot verschil in de toekomst (DeJong & Berg, 1998).
 
***Einde deel 3***

[1] In de scriptie zullen we de afkorting SFBT gebruiken om te verwijzen naar de solution-focused brief therapy-benadering.
[2] ‘Resources’: begrip geïntroduceerd door Milton H. Erickson, waarbij hij refereert naar de hulpbronnen, de sterke kanten die voor iedere persoon specifiek zijn.
Utilisatie in Ericksoniaanse & Oplossinggerichte therapie (4)

 1.      Utilisatie in oplossingsgerichte therapie

 
De Shazer’s werk is, reeds vanaf het begin, gebaseerd op de principes die hij distilleerde uit de vele publicaties van Milton H. Erickson (de Shazer, 1988). In het bijzonder is oplossingsgerichte therapie vertrokken van Ericksons utilisatie-principe (Haley, 1985; Rossi, 1980), en de onderliggende attitude/assumptie dat mensen de resources en mogelijkheden in zich hebben voor het oplossen van hun problemen. Ook geloofde Erickson (1954) dat een kleine verandering in iemands gedrag dikwijls het enige is dat nodig is om tot andere, meer diepgaande veranderingen in een probleemcontext te komen.
 
Zoals reeds vernoemd, zocht de Shazer tevergeefs naar een onderliggende theorie van Ericksons werk. De Shazer wilde een eenvoudig therapiemodel met duidelijke, aanleerbare regels construeren uit de essentie uit Ericksons werk. De Shazer ontdekte echter dat eerder de vele ‘uitzonderingen’ bij Erickson de regel zijn.
 
Uitzonderingen: de constructie van oplossingen
 
De Shazer’s fascinatie voor de vele ‘uitzonderingen’ bij Erickson, lag aan de basis van de ontwikkeling van zijn oplossingsgericht model. De Shazer heeft een model geconstrueerd op basis van ‘uitzonderingen’ op problemen. Hij “utiliseerde” bijgevolg iets dat hem fascineerde bij Erickson en heeft daar vervolgens een theorie rond gebouwd. Volgens hem zijn er altijd uitzonderingen, nl. momenten waarop het probleem minder erg is of niet voorkomt. Alle regels bevatten uitzonderingen, en hij omschrijft uitzonderingen als: “whatever is happening when the complaint is not” (de Shazer, 1985, de Shazer et al, 1986).
In oplossingsgerichte therapie begint de therapeut al vrij snel met het construeren van een oplossing door te zoeken naar ‘uitzonderingen’ (de Shazer, 1988). Hieruit volgt dat de therapeut zo gedetailleerd mogelijk momenten exploreert wanneer het probleem niet aanwezig was (de Shazer, 1988).
 
De Shazers visie op utilisatie
 
Volgens de Shazer is de sleutel naar korte therapie (1986, ‘Brief therapy: focused solution development’):
Utilizing what clients bring with them to help them meet their needs in such a way that they can make satisfactory lives for themselves.”(de Shazer, 1986, p. 208)
 
De Shazer noemt zijn definitie van utilisatie gerelateerd aan Erickson, maar toch ook verschillend, voornamelijk dan wat betreft de klemtoon (de Shazer, 1988). In zijn artikel ‘Utilization: the foundation of solutions’ uit 1988, zegt de Shazer:
 
“From my perspective, utilization involves utilizing whatever the client does that is somehow “right”, “useful”, “effective”, or “good” for the purpose of developing a solution.”(p. 114)
 
De Shazer ziet utilisatie hier als het gebruik maken van alles wat nuttig is voor het creëren van oplossingen, en hij legt hierbij de nadruk op de positieve aspecten, de resources van de cliënt. Volgens de Shazer moet een SFBT-therapeut, aan de hand van ‘solution-talk’, exploreren wat er kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van een oplossing. ‘Solution-talk’ is dus het bevragen van successen, sterke kanten, ‘uitzonderingen’ bij de cliënt. Oplossingen zijn er wanneer ‘uitzonderingen’ de regel zijn geworden (de Shazer, 1988, p. 116).
 

2.      Bespreking van transcriptfragmenten van Steve de Shazer[1]

 
In dit deel illustreren we de belangrijkste oplossingsgerichte technieken, waarbij we ons vooral richten op de utilisatie-benadering van de Shazer. Dit doen we aan de hand van meerdere korte fragmenten uit zijn gevalstudie.
 
De Cliënte (C) is een vrouw die zich aanmeldt met aanpassingsproblemen. Aan haar 9-jarig huwelijk is een einde gekomen, en ze woont nu ongeveer zeven maanden opnieuw bij haar moeder.  Ze vertelt dat ze met niemand goed kan opschieten. Steve de Shazer (SdeS) is de therapeut.
 
 
 
(48)
 
 
 
(49)
(50)
 
 
 
(51)
(52)
 
 
 
(53)
 
 
 
 
(54)
 
 
 
(55)
 
(56)
(57)
(58)
(59)
 
(60)
(61)
 
(62)
 
 
 
 
(67)
 
(68)
(69)
 
 
(102)
 
(103)
(104)
(105)
(106)
 
 
(107)
 
 
 
(112)
 
 
 
 
(113)
(114)
(115)
 
(116)
 
 
 
 
SdeS:
 
 
 
C:
SdeS:
 
 
 
C:
SdeS:
 
 
 
C:
 
 
 
 
SdeS:
 
 
 
C:
 
SdeS:
C:
SdeS:
C:
 
SdeS:
C:
 
SdeS:
 
 
 
 
C:
 
SdeS:
C:
 
 
SdeS:
 
C:
SdeS:
C:
SdeS:
 
 
C:
 
 
 
SdeS:
 
 
 
 
C:
SdeS:
C:
 
SdeS:
 
 
 
So, now, this may be a strange question for you, but, ah, I am going to ask anyway. Suppose one night there is a miracle.
Mm hm.
And the problems that brought you in here today are solved. OK? This happens while you’re sleeping so you can’t know it’s happened.
OK.
OK? The next day, how would you discover there’d been a miracle? What would be different that would tell you…that a miracle has happen?
(Long pause) Mmmm…I don’t know. (Long pause).
I can’t really say…um…for one thing I’d get up and not hearing my mother argue about anything would be a relief.
OK. What would she do instead of that? What would she do instead?
 
 
Tell me “good morning”, and ask how I’m doing.
Mm hm. OK.
And act like she cares about my kids.
Mm hm. OK.
And, I don’t know, I think it’d be a much brighter day, too.
In what way?
I don’t know, I think I’d get up feeling much more happier about myself.
Mm hm. OK. And what would you do then? What would be different, if you’re feeling brighter and happier, what would you do that would be different then?
Ummmm. I don’t know, I think I’d smile a little more.
OK.
And my attitude would be different.
 
So, when are the times now when you’re a little bit more relaxed and happy?
When I’m with my boyfriend.
Mm hm. OK.
Sometimes.
Sometimes. OK. What would he tell us about that? The day after the miracle? What would he say?
Ummmm, he’ll see that I’m much more happier,…like hey, everybody would see I’m much more happier.
Is there anything he might see you do that would tell him for sure that there’s been this miracle, that you’re happier, something you’d be doing that would signal this?
Talking with confidence in myself.
Mm hm.
Actually knowing who I am, what I like, and what I want.
OK.
 
SdeS stelt haar de mirakelvraag.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
SdeS zoekt hier naar uitzonderingen. Wat zou haar moeder anders doen, indien het mirakel gebeurde?
 
 
 
 
 
 
Haar beschrijving van de dag na het mirakel is eerder vaag en algemeen.
Opvallend in haar beschrijving is dat ze geen afwezigheid van de problemen aangeeft, maar uitdrukt wat ze wenst.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
SdeS zoekt naar uitzonderingen; momenten waarop de problemen minder erg zijn, of zich niet voordoen.
 
 
SdeS vraagt naar wat haar vriend zou zeggen.


3.    UTILISATIE OVER DE GRENZEN HEEN

 
In het derde deel van de scriptie zoeken we een antwoord op de probleemstelling die we hebben geformuleerd als volgt: Is ‘Ericksoniaanse utilisatie’ de bouwsteen van oplossingsgerichte therapie? Zo ja, vernauwen we onze vraag. Hoe vertaalt zich dat precies in de oplossingsgerichte technieken van de Shazer? We werken deze probleemstelling uit via een grondige studie van de relevante literatuur. Aan de hand van de basiswerken van Steve de Shazer en Milton H. Erickson onderzoeken we of er aspecten van utilisatie terug te vinden zijn in de Shazers oplossingsgerichte technieken. Zo ja, welke aspecten van utilisatie vinden we terug bij welke technieken? Eerst en vooral gaan we hiervoor na welke visie Erickson en de Shazer hebben over ‘utilisatie’. Aan de hand van hun citaten lichten we toe welke de verschillen en gelijkenissen zijn.
Wanneer we weten welke visie beide therapierichtingen hebben over utilisatie, richten we ons naar de praktijk, en dan vooral naar de oplossingsgerichte technieken van de Shazer. Vinden we hier aspecten van ‘Ericksoniaanse utilisatie’ terug? Zo ja, welke aspecten vinden we bij welke technieken van de Shazer? Als besluit synthetiseren we beknopt onze bevindingen bij elk van de vijf oplossingsgerichte technieken, die in het tweede deel van de scriptie werden besproken. In die samenvatting zetten we de vastgestelde relaties overzichtelijk op een rijtje.
 
Zoals we besproken hebben in het tweede deel, was de Shazer op zoek naar de essentie van therapie (de Shazer, 1994). We vatten hier de ontwikkeling van zijn oplossingsgericht model kort samen. Eind jaren 60, begin jaren 70 raakte hij gefascineerd door het werk van Milton H. Erickson (de Shazer, 1994). Bijgevolg vertrok hij van Ericksons publicaties, met de bedoeling een onderliggende, fundamentele theorie bij Erickson te ontdekken (de Shazer, 1994). Tijdens deze zoektocht viel hem iets op; wat hij ook probeerde, hij vond voornamelijk uitzonderingen, die niet pasten binnen de vijf theoretische constructen die hij ontwikkeld had. De Shazer was dus genoodzaakt een zesde categorie te construeren om de niet te klasseren gevalstudies in onder te brengen. Hij ontdekte dat uitzonderingen minstens even belangrijk, zoniet belangrijker waren (de Shazer, 1985). Uiteindelijk construeerde hij een theorie op basis van uitzonderingen. Eigenlijk “utiliseerde” de Shazer iets dat hem fascineerde, nl. de uitzonderingen, uiteraard wel een andere vorm van uitzonderingen, en bouwde het uit tot zijn oplossingsgerichte model.
De Shazer en zijn collega’s van “The Brief Family Therapy Center” ontwikkelden een oplossingsgericht therapiemodel uit een aantal Ericksoniaanse technieken (de Shazer, 1988). Hierbij stelden ze zich tot doel alleen het essentiële eruit te nemen. De Shazer wilde het model zo eenvoudig mogelijk houden, gebaseerd op een aantal duidelijke regels, zodat het gemakkelijk communiceerbaar en aanleerbaar is (de Shazer, 19??). Omwille van zijn eenvoudige ideeën over therapie werd de Shazer “ de meest minimale van de minimalisten” genoemd (de Shazer, 1988). De Shazer gelooft in eenvoudigheid en hij prefereert minimalistische interventies.
Vanaf het begin was het werk van de Shazer gebaseerd op de principes die hij uit Ericksons papers haalde (de Shazer, 1988). In de Shazers artikel, ‘Utilization: the foundation of solutions’, geeft hij aan dat zijn oplossingsgerichte model een ‘utilisatie-benadering’ is, gebaseerd op de sterktes van de patiënt (de Shazer, 1988). SFBT legt de nadruk op wat de patiënt goed doet, eerder dan zijn problemen en wat hij verkeerd doet (de Shazer, 1988).
Oplossingsgerichte therapie is een aspect uit Ericksons werk (Hoyt, 1995). Deze benadering is volgens Hoyt (1995) niet enkel technisch, maar heeft het beste uit het Ericksoniaans perspectief gedistilleerd, nl. het geloof dat mensen de resources bezitten, nodig om hun doelen te bereiken. Steve de Shazer heeft één aspect van Ericksons utilisatie-benadering genomen en dit aspect uitvergroot, nl. de idee van Erickson dat mensen de resources in zich hebben, en de therapeut hoeft enkel een context te creëren waarin de personen hun resources terugvinden. Op deze assumptie is heel zijn oplossingsgericht model gebouwd. Hieruit volgt dat de Shazer utilisatie enger bekijkt. Erickson daarentegen utiliseerde alles, zowel probleemgedrag, weerstand, rigide denkpatronen, de therapeut zelf.
Volgens de Shazer (1988) bedoelde Erickson met ‘utilisatie’ vele zaken, zoals het “utiliseren” van problematische gedragingen, gedachten en gevoelens, als deel van een therapeutische oplossing. Eén aspect van deze utilisatiebenadering is het voorschrijven van een symptoom (de Shazer, 1988). Erickson had volgens de Shazer (1988) ook een tweede, meer algemene definitie voor ‘utilisatie’: “het ‘utiliseren’ van de eigen mentale processen van de patiënt, op manieren die buiten zijn gewone, intentionele of vrijwillige controle liggen” (Erickson, Rossi & Rossi, 1976, p. 19). De Shazer ziet zijn definitie van utilisatie verschillend van Erickson, voornamelijk wat betreft de klemtoon die hij legt (de Shazer, 1988). Volgens zijn perspectief is utilisatie het “utiliseren” van alles wat de patiënt doet dat op een of andere manier “juist”, “bruikbaar”, “effectief” of “goed” is, met als doel het ontwikkelen van een oplossing (de Shazer, 1988, p. 114). De Shazer en zijn collega’s zochten tijdens het ontwikkelen van hun model meerdere jaren naar het ontstaan van oplossingen (de Shazer, 1985).
 

1.      ‘Ericksoniaanse utilisatie’ en de oplossingsgerichte technieken

We zullen hier een beknopt overzicht geven van de Shazers technieken en de Ericksoniaanse aspecten die we daarin terugvinden.
 

Mirakelvraag

De mirakelvraag van de Shazer is afgeleid van Ericksons “Crystal ball technique” (Erickson, 1954).
In het artikel van de Shazer ‘
De mirakelvraag “utiliseert” de resources in de toekomst.
De mirakelvraag helpt de patiënt een beeld te construeren over hoe zijn leven eruit zal zien wanneer het probleem opgelost is (de Shazer, 1988).
Soms leiden deze vragen tot meetbare doelen.
 

Schaalvragen

 
Zie vb. van fragmentatie (dan short)
 

‘Uitzonderingen’ op problemen

Uitzonderingen zijn volgens de Shazer alles wat buiten de regels van de klacht valt (de Shazer, 1988). Uitzonderingen zijn een manier om de resources van de patiënt te bevragen. De Shazer “utiliseert” hier de resources van het verleden. Hieruit volgt dat deze ‘uitzonderingen’ een deelaspect van ‘Ericksoniaanse utilisatie’ zijn.
 

Pretherapeutische veranderingen

Dit zijn een specifieke vorm van uitzonderingen. Bijgevolg is pretherapeutische verandering ook een manier om de cliënt te helpen zijn resources te ontdekken. Vanuit de Shazers (1988) perspectief zijn het juist deze veranderingen die moeten gebruikt worden voor het ontwikkelen van een oplossing.
 

Continueringsvraag of ‘Formula first session’ taak

Ook de continueringsvraag helpt de patiënt naar resources kijken.
 
 
Samenvattend kunnen we concluderen dat de ‘fundamenten’ van de Shazers oplossingsgerichte therapie, nl. de mirakelvraag, de schaalvragen en de ‘uitzonderingen’, allen gebaseerd zijn op het ontdekken van resources bij de patiënt. Hetzelfde geldt voor de andere twee belangrijke SFBT-technieken; de continueringsvraag en de pretherapeutische veranderingen zijn eveneens technieken om de patiënt te helpen kijken naar zijn resources.
Hieruit volgt dat de vijf technieken van de Shazer zich allemaal baseren op een deelaspect van ‘Ericksoniaanse utilisatie’: het “utiliseren” of benutten van de resources, de sterke kanten, van de patiënt. Met als doel het creëren van oplossingen.
Bij deze therapierichting ligt de nadruk op de resources van de patiënt, eerder dan de problemen, negatieve gedachten en gevoelens, probleemgedragingen. De Shazer (1988) exploreert aan de hand van ‘solution talk’ naar datgene wat de patiënt doet dat ‘geutiliseerd’ kan worden om een oplossing te construeren.
 
Een overeenkomst is dat beide therapierichtingen de taak van de therapeut zien als het helpen om mensen hun resources te ontdekken en gebruiken en hen zo een strategie mee te geven die ook bruikbaar is bij andere probleemsituaties (Le Fevere de Ten Hove, 2000).
 
Als we de Shazers werkwijze vergelijken met Erickson merken we een aantal duidelijke verschillen. Het oplossingsgerichte model kunnen we samenvatten in een vijftal technieken: de mirakel vraag, schaalvragen, ‘uitzonderings’-vragen, pre-therapeutische veranderingen, en de continueringsvraag. Het is een duidelijk, eenvoudig model dat gemakkelijk aangeleerd kan worden. Hieruit volgt dat het SFBT-model ook meetbaar is. Ericksons model daarentegen, kan niet gedefinieerd worden als een specifieke set van technieken. Erickson ontwikkelde een vaag, complex therapiemodel, zonder een theoretisch kader. Hij bleef altijd vaag over wat hij deed in zijn therapie. Indien hij kon, creëerde hij voor iedere patiënt een nieuwe techniek. Ericksons technieken zijn zeer talrijk. Hij was creatief. Het is moeilijk er de essentie uit te distilleren.
 
Utilisatie wordt bijgevolg vanuit een engere visie bekeken in oplossingsgerichte therapie. Het SFBT-model heeft Ericksons onderliggende visie op utilisatie, nl. dat ieder persoon resources heeft, tot in het rigide doorgetrokken. Al de Shazers technieken zijn methoden om de patiënt te helpen zijn resources te ontdekken.
 

2.      ‘Utilisatie’ van weerstand

 
Erickson en SDS hebben een verschillende visie op weerstand. We lichten de verschillen beknopt toe.
 
 

3.      De invloed van utilisatie op het therapeutische veld

 

Een Ericksoniaans effect?

 

Een maatschappelijke trend naar klantgerichtheid?

 

Economische druk voor snelle resultaten?

In de USA betaalt medicare enkel nog de eerste 10 sessies terug. Daardoor is er een financiële druk op therapeuten om “kort” te worden. Steve de Shazer heeft de kritiek gekregen dat zijn model ‘Solution-forced’ zou zijn. Volgens de Shazer is zijn oplossingsgericht model echter geen antwoord op ‘managed care’. Hij zegt dat hij korte therapie doet sinds 1969, lang voor er sprake was van ‘managed care’ (de Shazer, 1998).
 
 
 
los van erickosn in therapie (kapotte mensen repareren) is er een maatschappelijke evolutie om meet te denken in termen van "resources" = oplossingen GEBRUIKEN
en te LEREN heo we onze resources beter aanwenden om toegevoegde waarde te leveren opdat we nog nuttig zijn in de maatschappij = onze kost verdienen = eten op tafel
 
er is dus 1° een parallele evolutie aan de therapuetische in de buitenwereld
met focus op LEREN en RESOURCES of OPLOSSINGEN
==> erickson volgt een LEER-model + de maatschappij volgt OOK een leer-model
gelijktijdig
==> utilisatie is een product van erickson EN van de moderne maatschappij ==> Erickson vertaalde misschien maar wat er onbewust in onze maatschappij aan het opborrelen was
de boerderij ervaring van erickson hielp hem zien datgene waar onze maatschappij als geheel klaar voor was om te gaan toepassen
hij liep dus net een beetje voor op zijn tijd
leren COMPETENTIES op te bouwen
Peter Senge
Agyriis
DUS: hypothese dat alles van Erickson komt, wordt hier ontkracht

***Einde deel 4***



[1] Transcriptfragmenten uit het boek ‘Words were originally magic’ van de Shazer (pp. 113-116).
Coachteam - Koeck en Partners Company - Coaching and stresscounseling Coachteam® - Koeck & Partners Company
Talent Coaching & Leadership Coaching and Training
http://www.coachteam.com

Copyright © 1996 - 2010, Dr. Paul Koeck - All rights reserved
Disclaimer: All prices are indicative. Only latest prices on the Coachteam®-website are valid.