Medische hypnose, ook wel hypnotherapie genaamd, helpt mensen een aantal lichamelijke of psychische klachten snel en efficiënt op te lossen. Wij beschrijven hier een aantal typische indicaties voor medische hypnose. |
| Hoe werkt Medische Hypnose? | Waarvoor helpt Medische Hypnose? |
|
|
Info via therapy
erickson.be of +32(0)3 237.98.98
Hypnose in de Traditionele Geneeskunde |
InleidingWat is hypnose? Heeft het iets te zien met macht en wilskracht? Is het een vorm van zwarte magie? Is het spektakel? Waarom schrikt het af? Dit zijn vragen die U en mij bezig houden. In dit artikel zal ik proberen er een antwoord op te formuleren. Jammer genoeg wordt het beeld dat de leek heeft over hypnose sterk beïnvloed door de wereld van show en spektakel. Wat showhypnotiseurs U tonen is meestal meer show dan hypnose. Showhypnotiseurs zetten een traditie voort die ontstaan is eind vorige eeuw in de Franse, Parijse salons, waar neurologen dit fenomeen "hypnose" herontdekten en demonstraties gaven om de aristocratische Parijse salondames te charmeren, of gewoon om populair te worden. U moet niet vergeten dat eind vorige eeuw het maatschappijmodel er anders uitzag dan nu. Daar waar we nu leven in een wereld van democratie en communicatie, werd eind vorige eeuw nog geregeerd door hiërarchie en macht. Het prestige en de macht van de 19° eeuwse bourgeoisie en de vrije beroepen (zoals de geneesheer, de notaris) lag toen hoger. Het is niet te verwonderen dat in die context de eerste artsen die hypnose herontdekten, vooral dit aspect gingen benadrukken waarmee ze indruk konden maken, de illusie van macht konden opbouwen. U moet niet vergeten dat hysterische verlammingen en flauwtes eind vorige eeuw in de mode waren, net zoals we nu modes kennen zoals hyperventilatie, spasmofilie, chronisch vermoeidheidssyndroom en noem maar op. Als je in de 19° eeuw de aandacht van je omgeving wilde trekken of meer affectie van je gezin wilde krijgen, deed je er goed aan een hysterische verlamming te krijgen. In onze drukke maatschappij zal je eerder onbewust spanningshoofdpijn of andere psychosomatische klachten ontwikkelen. Daar het spectaculair aspect van hypnose en show aan de hypnotiseur veel prestige opbrengt, en dus ook geld, is het niet te verwonderen dat dit aspect gecultiveerd wordt door de 20° eeuwse showhypnotiseur, die zijn brood verdient met het verkopen van spektakel. Een aantal onderzoekingen toonde trouwens aan dat verschillende showhypnotiseurs gebruik maken van trucage zoals bijvoorbeeld het ongemerkt dichtknijpen van je halsslagader, die de hersenen van bloed voorziet: trucage samen met een aantal fenomenen die nog iets - doch weinig - met hypnose hebben te zien, wekken de illusie dat de hypnotiseur macht heeft over het medium op het podium. Wat je niet mag vergeten, is dat die mensen waarmee ze de demonstraties doen, meestal van tevoren worden uitgeselecteerd en men uit verschillende vrijwilligers de twee of drie gemakkelijkst hypnotiseerbare subjecten neemt, dan is het niet te verwonderen dat je spectaculaire dingen te zien krijgt. Is het niet logisch dat een aantal subjecten inderdaad graag meespelen in het spektakel? En dit wekt inderdaad de indruk dat je iemand dingen tegen zijn wil kan laten doen. Het is echter zo dat als je iemand een suggestie geeft die werkelijk tegen zijn waarden ingaat, hij ze nooit zal opvolgen en bijna automatisch uit trance zal komen. Dit weten hypnotiseurs echter handig te omzeilen door op het podium eerst te testen hoe ver ze kunnen gaan met wie. Het is jammer dat dit beeld van hypnose zo vertekend wordt en dat het een aantal mensen afschrikt, die door hypnose goed geholpen kunnen worden. Wat is trance ?Als mensen me vragen wat hypnose is, stel ik hen meestal de vraag of ze het ooit wel eens meegemaakt hebben dat ze een boek zaten te lezen of naar een spannende film zaten te kijken en ondertussen niet hoorden dat iemand de kamer binnen kwam of vergaten dat ze eigenlijk op een ongemakkelijke of harde stoel zaten. De meeste mensen kennen deze ervaring. Dit is wat ik zou noemen de spontane, alledaagse trance. Trance is een toestand van verhoogde concentratie waar je aandacht gericht wordt op één stuk of één deel van je beleving van de werkelijkheid. Andere delen die op dat moment niet relevant zijn, worden buiten het bewustzijn gelaten. Dit wil niet zeggen dat deze informatie onbewust niet mee wordt verwerkt. Dus trance is een vernauwing van het bewustzijn. Stimuli die buiten je aandacht vallen, komen op dat moment nog wel binnen via de zintuigen, worden nog wel verwerkt, maar worden als onbewuste informatie op de achtergrond gehouden. Tijdens de trance zorgen de hersenen ervoor dat je je intensiever kan bezighouden met deze informatie die op dat moment belangrijk is. Om het verschil aan te tonen tussen bewust en onbewust, kan ik hier misschien de vergelijking trekken met het leerproces van het kind, dat eens zich al spelende concentreerde op zijn voetje om te beseffen dat dat zijn voetje is. In de loop van zijn verdere leven zal het kind er nog zelden bij stilstaan dat dit zijn voet is, hoe die eruit ziet en hoe die functioneert. Onbewust wordt deze informatie verder gebruikt tot op het moment dat het kind leert staan. Nu concentreert het zich even op de coördinatie van zijn spieren om zijn evenwicht te houden. Op het moment dat het kind leert lopen, concentreert het zich op de bewegingen en de stapjes die het zet. En eens het dit onder de knie heeft zal het zijn verdere leven zich niet meer afvragen hoe het zijn evenwicht behoudt of een stapje vooruit zet, tenzij het door een of andere ziekte deze mogelijkheden terug verliest. Als je leert auto rijden, ben je je bewust van het feit dat je je pedaal moet indrukken en loslaten en bij het remmen op een andere pedaal moet drukken. Je concentreert je op deze nieuwe informatie tot je het onder de knie hebt. De ervaren chauffeur staat hier niet meer bij stil. Dit illustreert de functie van trance of verhoogde aandacht. Verhoogde concentratie is dit mechanisme dat ons toelaat op het moment dat we nieuwe en belangrijke dingen willen leren, enkel die informatie te gebruiken en in onze aandacht te houden, die op dat moment voor ons nuttig is. In die zin is trance een levensnoodzakelijk en belangrijk stuk in ons leven en ontwikkeling: niets spectaculairs of buitengewoons. Wat is hypnose ?Hypnose is niets anders dan op een professionele en meer systematische wijze deze toestand van natuurlijke trance te stimuleren. De arts of hypnotherapeut doet dit met de bedoeling om een cliënt met een probleem iets nieuws aan te leren. Een nieuwe ervaring op te bouwen om zo beter met het probleem om te kunnen of het probleem op te lossen. De doelstelling van de showhypnotiseur is er die fenomenen uit te pikken die indruk maken op de massa en de kassa te doen rinkelen. Hypnose heeft dus vooral iets te maken met leerprocessen. Het is dus niet zo dat je je wil verliest of je niet bewust bent tijdens de hypnose. Je bent volledig bewust, alleen ben je wat meer geconcentreerd op bepaalde aspecten van je eigen realiteit. Eén van de fenomenen van diepere trance is amnesie of m.a.w. het vergeten van een aantal dingen die tijdens de trance gebeuren. Dit maakt soms dat mensen achteraf de indruk hebben, dat ze bij diepe trance volledig weg geweest zijn, doch dit is niet zo. Het voordeel van die verhoogde concentratie is, dat je onder hypnose aan bepaalde dingen kan werken, terwijl je andere dingen afschermt of opgeborgen laat. Als je een emotioneel proces moet verwerken, is het soms nuttig, het massale gevoel van overweldigd te geraken door je emoties even opzij te kunnen schuiven en je te kunnen concentreren op de kern van het probleem waaraan je wil werken. Dit maakt dat je onder hypnose een aantal dingen kan doen die veel moeilijker te bereiken zijn, zonder deze toestand van trance. Je kan één aspect van je probleem als het ware inzoomen, in de kijker nemen om eraan te werken, terwijl je de andere eventjes op rust stelt. Dit maakt het gemakkelijker om problemen in stukjes te breken en stap voor stap te zoeken naar een oplossing. Terwijl je bewuste geest zich op één ding richt, kan je onbewuste geest ervoor zorgen dat het geheel gerespecteerd blijft. Want het is zo dat je geen suggesties kan geven die fundamenteel tegen het onbewuste ingaan. Respect staat daarom centraal in medische hypnose. Respect zowel voor je bewuste als voor je onbewuste. We gebruiken het onbewuste hier niet in de Freudiaanse betekenis van het woord. Als ik het woord "onbewuste" gebruik, denk je beter even terug aan de leerervaring van het kind waar reeds gekende, onbewuste ervaringen een hulpmiddel zijn om nieuwe en bewuste ervaringen te ondersteunen. Een andere toepassing van die verhoogde concentratie op een stukje van je belevingswereld is het behandelen van een ernstige pijn. Als een bepaald deel van je lichaam door een ziekteproces pijn doet, kan je je concentratie op de pijn en je concentratie op andere positieve ervaringen in andere delen van je lichaam gebruiken om minder pijnbeleving te hebben of om beter met je pijn te kunnen omgaan. Zo kan je ook een anesthesie of gevoelloosheid ontwikkelen in diepere trance, waar je als het ware je gevoelsreceptoren, die pijnlijke informatie van je huid naar je hersenen sturen vergeet. Je kan onder hypnose suggesties geven omdat je door de verhoogde toestand van concentratie beter op suggesties reageert dan in de gewone waaktoestand. Suggesties kunnen zowel tot doel hebben psychische processen of leerervaringen op gang te brengen als lichamelijke functies te beïnvloeden. Zo kan je door suggestie je bloeddruk of je hartslag beïnvloeden en zelfs de stollingstijd van je bloed veranderen. Onderzoek door een Zwitserse vorser toonde aan dat tijdens hypnose of trance het aantal witte bloedcellen in je bloed veranderd wordt. De bloedconcentratie van je eigen hormoon cortisone verandert en een aantal fysiologische kenmerken wijzigen. Een aantal onderzoekers zoals Simonton, Rossi, Spiegel en Auerbach in de Verenigde Staten suggeren dat je je immunologische afweer tegen ziekten zoals het aids virus en kankercellen kan versterken door hypnotische suggestie. Gepubliceerde resultaten, die weliswaar geen zwart op wit bewijs vormen, doch sterk in die richting wijzen, tonen aan dat het de moeite loont om bij ernstige ziekten zoals aids, kanker, reuma en astma de traditionele behandeling aan te vullen met hypnotherapie. Zij rapporteren een hogere kans op genezing en een betere levenskwaliteit. Ook bij hoofdpijn, migraine allergieën en verschillende huidziekten en zelfs bij een aantal wratten is aangetoond dat hypnose een groot aantal mensen kan helpen. Met dit alles wil ik niet beweren dat hypnose een wondermiddel is dat alles kan, maar wel dat het een mooie aanvulling is van de mogelijkheden en de begrenzing die de klassieke geneeskunde ons biedt. De laatste jaren wordt hypnose meer en meer door artsen beoefend en aanvaard en kan men ook stellen dat hypnose deel uitmaakt van de klassieke geneeskunde en niet onder de alternatieve geneeswijzen thuishoort. Zijn er risico's ?Ik wil hier ook even ingaan op de vraag naar het gevaar van hypnose. Vele mensen vragen me "Is het gevaarlijk? Zal ik er wel uitkomen?" Het is zo dat bij deskundig uitgevoerde hypnose het risico niet uit trance te komen niet bestaat. Het ergste wat ooit kan voorkomen is dat je onbewuste geest geen zin heeft om direct uit trance te komen bij de eerste suggestie en dat je dus eerst een aantal malen moet herhalen of heel uitzonderlijk dat trance overgaat in een natuurlijke slaap. De trance is dan over bij het ontwaken. Er zijn echter wel een aantal redenen waarom het belangrijk is dat hypnose thuishoort in de geneeskunde en niet in het alternatieve circuit. Zo herinner ik me bijvoorbeeld het verhaal van een arts die tijdens een hypnose een suggestie gaf dat de cliënt in zijn verbeelding zich rustig, ontspannen kon neerleggen op een grasperk, waar deze cliënt die allergisch was aan graspollen een astma-aanval op deed. Indien je op dat moment geen arts of deskundige bent, riskeer je wel in de problemen te komen. Een ander voorbeeld is beschreven door Milton H. Erickson, de grootste hypnotherapeut van de 20ste eeuw, die ooit telefoon kreeg van een cliënte van hem die vroeg om via de telefoon een hypnose toe te passen om haar menstruatiepijnen te verlichten. Een half uurtje later belde ze hem terug om te zeggen dat de hypnose niet werkte. Hij deed de hypnose nog eenmaal over, waarna hij een half uurtje later weer een telefoon kreeg met de melding dat de klachten niet verdwenen. Hij stuurde haar naar het hospitaal met als diagnose het vermoeden van een appendicitis. Indien hij zijn suggesties onzorgvuldig geformuleerd zou hebben en gesuggereerd zou hebben dat de pijn volledig zou verdwijnen, ongeacht de oorzaak van de pijn, dan liep deze cliënt het risico dat de appendicitis pijnloos evolueerde naar een erger stadium. Een ander risico is het beluisteren van een cassette met een hypnose in de wagen. Indien de cliënt deze hoort tijdens het besturen van een wagen is het niet onmogelijk dat hij op dat moment in trance zal gaan. In die zin is het belangrijk dat als je een hypnotherapeut kiest, je er goed over nadenkt en kiest voor iemand die medisch en technisch goed gevormd is, die een goede scholing in de hypnotherapie genoot. Hoe verloopt zo'n therapie?Als je met een probleem zit, fysisch of psychisch, en je denkt dat hypnose je kan helpen, is de eerste fase een gesprek met de arts of therapeut. De arts probeert dan het probleem in kaart te brengen en formuleert voor zichzelf een aantal hypothesen. Deze hypothesen worden besproken met de cliënt en meestal kan in het eerste gesprek worden uitgemaakt of deze klacht zich inderdaad leent voor een behandeling met hypnotherapie of eventueel andere vormen van therapie geschikter zijn. In de onderhandeling wordt gezocht naar een zienswijze waar zowel therapeut als cliënt achter kunnen staan. Een belangrijke vraag die in het eerste gesprek onderzocht wordt is of de klacht bij de cliënt enkel nadelen oplevert of eventueel ook voordelen. Het gebeurt dikwijls dat een cliënt een klacht moeilijk kan opgeven omdat hij er iets bij te verliezen heeft. Dit proces is soms bewust, soms onbewust. Het kan besproken worden met de cliënt en eventueel, als het antwoord onduidelijk is, onder hypnose verder worden verkend. Er bestaan namelijk verschillende technieken die de therapeut of de cliënt toelaten vragen te stellen aan het onderbewuste of zelfs met het onderbewuste te onderhandelen. Indien de strategie min of meer bepaald is wordt een afspraak gemaakt voor een volgende sessie, zodat zowel cliënt als therapeut de kans hebben om de besproken gegevens te laten bezinken. Indien voor hypnotherapie gekozen wordt, zal in de tweede sessie de cliënt meestal de ervaring leren om in trance te gaan. Het is belangrijk dat aan deze fase van het leren ervaren van trance aandacht wordt besteed, vooraleer de koe bij de horens te vatten. Na een kort gesprek zet de cliënt zich in een rustig ontspannen houding, kan eventueel nog zijn laatste vragen en kwijt en dan volgt de inductiefase. De inductiefase is de eerste fase van hypnose, die bij elke hypnose herhaald zal worden, doch over het algemeen steeds sneller en gemakkelijker verloopt. De therapeut en de cliënt kiezen samen voor een inductietechniek die bij deze cliënt past. Er zijn tientallen tot honderden inductietechnieken beschreven in de literatuur en het komt nog zelden voor dat dezelfde techniek voor alle cliënten geschikt is. De cliënt volgt de suggesties en laat zich leiden naar een toestand van diepe relaxatie en ontspanning terwijl de trance langzaam optreedt. De therapeut volgt de tekenen van trance en kan eventueel vragen stellen aan de cliënt over zijn ervaring. Nu de trance langzaam optreedt volgt als tweede fase de verdiepingsfase. De therapeut geeft een aantal suggesties die de cliënt toelaat om dieper weg te zakken in een trance totdat die diepte waarvan zijn onbewuste vermoedt of oordeelt dat best aan het probleem gewerkt kan worden. In de derde fase start het therapeutische werk. Directe of indirecte suggesties worden gegeven of de therapeut kan naargelang de strategie vragen stellen aan de cliënt. Ook tijdens deze fase is de cliënt zich bewust van wat er gebeurt. Naargelang de diepte van de trance, zal zijn bewustzijn breder of smaller gefocust zijn. Op het einde worden meestal een aantal aangepaste suggesties ingebouwd die het onbewuste toelaten om gedurende de volgende dagen of weken verder aan het probleem te werken en te zoeken naar een eigen creatieve oplossing. Naar het einde van de sessie toe, geeft de therapeut een aantal suggesties die toelaten om met een fris en helder gevoel terug uit deze toestand van trance te komen. Nadien volgt nog een korte nabespreking waar de cliënt over zijn ervaringen vertelt en de therapeut eventueel nog vragen van de cliënt kan beantwoorden. Naargelang het probleem, kan de therapeut aan de cliënt vragen om thuis zelf beginnen oefenen met zelfhypnose en eventueel andere opdrachten in de context van de therapie uit te voeren. Naargelang het probleem zijn meerdere sessies nodig en dikwijls komt het voor dat geopteerd wordt om gesprek met hypnotherapie te combineren, zodanig dat de cliënt de kans krijgt om de dingen zowel op bewust als op onbewust niveau door te werken Indicaties voor hypnoseZoals eerder vermeld, wordt hypnose gebruikt als aanvulling bij de behandeling van verschillende gewone ziekten als kanker, aids, reuma, allergie, hypertensie, huidziekten, pijn, torticolli, ... Hypnose kan een nuttig instrument zijn in de behandeling van een ganse reeks psychische problemen zoals stress, angst, hyperventilatie, overspanning, depressie, verslaving, burn out, faalangst, examenangst, fobie, slaapstoornissen, psychosomatische klachten, eetstoornissen, relatieproblemen, ... Daarnaast kan hypnose een goed hulpmiddel zijn om jezelf te ontwikkelen als mens en persoonlijke doelstellingen te bereiken zoals motivatie, concentratievermogen, examens voorbereiden, sportprestaties verbeteren, mentale training, meditatie, creativiteit, beslissingen nemen, problemen analyseren, onbewuste blokkades wegwerken, ... Daarnaast worden hypnotische technieken door hypnotherapeuten vaak aangewend in gewone gesprekstherapie zonder dat er sprake is van hypnose. Goede resultaten worden hier geboekt in o.a. verslaving, angst, hyperventilatie, ... Besluit
|
Publications (01/02/2001) - Hypnose, een volwaardig hulpmiddel |
|
Hypnose heeft lange tijd een negatieve bijklank gehad als spektakelkunst. Intussen heeft het de kermissfeer verlaten om in de wereld van de exacte wetenschap een plaats te veroveren. ![]() Artsen en tandartsen gebruiken regelmatig hypnose bij de behandeling van slapeloosheid, stress en pijn. Geen sprake van toverij, wel van een doeltreffend hulpmiddel. Op voorwaarde dat het door een getrainde en ervaren arts of psycholoog wordt gebruikt. Gezonde argwaan is volgens dokter Erwin De Bisscop van het Korzybski Instituut in Brugge - één van de plaatsen waar hypnose gedoceerd wordt - geen hinderpaal voor een goede medewerking bij hypnose. “Wanneer een patiënt weerstand biedt, kan je dat juist gebruiken tijdens de hypnosesessie. Het maakt dat de patiënt nog sneller dan anderen in trance raakt zonder het zelf te merken.” En dat kunnen we ten volle beamen, want om een idee te hebben van wat hypnose is, deden we de proef op de som. In één oogwenk waren we vertrokken, ook al meenden we een muur van verzet te hebben opgebouwd. Denk nu niet dat we in slaap vielen. Integendeel… het leek eerder een vorm van verhoogde concentratie. Geen handengeklap en maffe verhalen. Alles ging heel gewoon. Vanzelfsprekend is het raadzaam u enkel in handen te geven van een wetenschappelijk opgeleid persoon die eerst en vooral kan uitmaken of hypnose aangewezen is en die meteen kan ingrijpen, mocht er iets verkeerd gaan. Het enige wat u kan overkomen, is dat u niet meteen wenst uit trance te komen en in slaap valt. Bij het ontwaken is de trance uiteraard voorbij PsychosomatiekHypnose heeft voor sommigen nog altijd een slechte naam. In de media verschenen geregeld berichten over showhypnotiseurs. Mensen zouden misbruikt worden tijdens de hypnose. Op zich helemaal geen nieuw fenomeen want aan het einde van de negentiende eeuw gaven neurologen aan Parijse dames van de aristocratie demonstraties in salons. Deze artsen waren er niet alleen op uit grof geld te verdienen en vrouwen te charmeren: zij werden eveneens aangetrokken door de faam die ze ermee verwierven. De maatschappelijke context was uiteraard helemaal anders. De bourgeoisie had ontzettend veel macht. Hysterische verlammingen en flauwtes waren schering en inslag. En de arts slaagde erin spectaculaire genezingen te bekomen. De ziektes van vorige eeuw maakten plaats voor aandoeningen waarbij de psychosomatiek (de invloed van de geest op het lichaam) een belangrijke rol speelt: spanningshoofdpijn, hyperventilatie, chronische pijn, vermoeidheid, angst…. Stuk voor stuk aandoeningen die via hypnose verholpen kunnen worden. Stilaan worden er wetenschappelijke verklaringen gevonden voor de resultaten zodat hypnose totaal uit de showwereld verdwijnt en een verdiende plaats krijgt in de genees kunde Wat is hypnose?U kent ongetwijfeld het volgende fenomeen: u bent helemaal in de ban van een spannend boek en hoort niet dat er tegen u gesproken wordt of u vergeet zelfs uit de trein te stappen wanneer u ter bestemming bent. Dit is een voorbeeld van spontane, alledaagse trance. Hypnose is dus allesbehalve een slaaptoestand, maar eerder een vorm van verhoogde concentratie. De aandacht richt zich op één gegeven of op een onderdeel van de werkelijkheid. Al de rest verdwijnt in het niets. De hersenen gaan zich heel intens concentreren op de doelwitinformatie. Herinnert u zich hoe groot uw concentratie moest zijn toen u leerde auto rijden? U had het gevoel alles tegelijk te moeten coördineren. Eens een leerproces is verworven, verhuist het naar het onderbewuste. Trance laat u toe op elk moment dat u nieuwe en belangrijke informatie wil opnemen, enkel deze te selecteren die relevant is voor uw ontwikkeling. De arts of hypnotherapeut stimuleert de toestand van natuurlijke trance bij de patiënt op een systematische en professionele wijze. Zodoende kan deze nieuwe ervaringen opbouwen die moeten helpen een probleem op te lossen. Wanneer u emotionele processen moet verwerken, is het soms nuttig het gevoel overweldigd te worden opzij te kunnen zetten en zich te concentreren op de kern van de zaak. Of zoals Dr. Paul Koeck van het Milton H. Erickson institute of Flanders het stelt: “U kunt op één aspect van het probleem inzoomen en daaraan werken terwijl u de andere eventjes laat rusten. Dit maakt het makkelijker om stap voor stap te zoeken naar een oplossing.” De bewuste geest richt op één ding en intussen kan het onderbewuste ervoor zorgen dat het geheel gerespecteerd blijft. Onder hypnose worden er suggesties gegeven waarop u dankzij de verhoogde toestand van concentratie reageert. Iets wat in de gewone waaktoestand onmogelijk is. In een ruimer kaderToch wil Dr. Paul Koeck benadrukken dat hypnose geen wondermiddel is, maar een mooie aanvulling van de mogelijkheden die de klassieke geneeskunde ons biedt. “Mensen moeten beseffen dat hypnose nooit een opleiding op zich is, het past in een ruimer wetenschappelijk kader als arts of tandarts. Daarnaast is het van kapitaal belang dat iemand niet alleen in staat is om een ander in trance te brengen en er ook weer uit te halen. Hij of zij moet ook aan ‘problemsolving’ kunnen doen. Hypnose lost niets op, het geeft enkel de te volgen weg aan.” Dr. Erwin De Bisscop stelt: “De beste resultaten behalen wij bij de gevallen die we kunnen rangschikken onder ‘craving’. Dit zijn alle mogelijke dwangmatige verlangens naar alcohol, tabak, chocolade…. De hypnose is slechts een hulpmiddel binnen een algemene therapie waarbij naar oplossingen wordt gezocht. Hypnose helpt, maar biedt niet dé oplossing. Als therapeut moet je over voldoende levenservaring beschikken om bijvoorbeeld PTSD-patiënten (slachtoffers van verkrachting, aanranding, ... die aan posttraumatische stress lijden) te helpen. De weg naar genezing is soms lang en moeilijk, zowel voor de patiënt als de therapeut. In het opleidingscentrum maakt hypnose deel uit van de opleiding gezinstherapie in het 3de en het 4de jaar. PijnbestrijdingConcreet kunt u bij pijn leren om u te concentreren op een andere positieve ervaring in een ander lichaamsdeel zodat de pijnbeleving vermindert en draaglijk wordt. Dr. Paul Koeck: “Het is mogelijk in een toestand van diepe trance een gevoelloosheid te bereiken waardoor u uw gevoelsreceptoren, die pijnlijk informatie van de huid naar de hersenen doorsturen, vergeet.” In trance reageren we ook beter op suggestie. Deze kan zowel psychische, als lichamelijke functies beïnvloeden. Door suggestie kan onze bloeddruk, hartslag en zelfs de stollingstijd van het bloed beïnvloed worden. GetuigenisMarie-Jeanne (54): “ Na enkele sessies voelde ik me stukken beter.” “Ik ben uiteindelijk tot hypnose gekomen omdat ik niets meer te verliezen had. Ik heb borstkanker gehad. Na de radiotherapie kreeg ik te kampen met verschrikkelijke rugpijn die uitstraalde in mijn schouder. Alles heb ik geprobeerd: kiné, geneesmiddelen, osteopathie,… maar de pijn bleef. Gedurende meer dan twee jaar was ik echt gehandicapt: groenten schillen, autorijden, lezen,… dat ging niet meer. Ik ben een actief iemand en werd er zowat gek van. Het pijncentrum sprak me van hypnose. Ik ben er meteen mee begonnen. Ik voelde dat de psychiater me positief benaderde en dat gaf me de overtuiging dat zij me kon helpen. Ik kreeg bijvoorbeeld alle tijd om ‘mijn draai te vinden’. Het is immers belangrijk om zich totaal te kunnen ontspannen. Die dokter heeft me ook geleerd om me niet te fixeren op de pijn want dat doet de spanning enkel toenemen. Tijdens de sessie slaag ik erin alle geluid van buiten te weren. Ik sluit de ogen, ook al slaap ik niet. Ik laat me meevoeren door aangename gedachten. Reeds na vijf of zes sessies voelde ik een verandering. Ik kon de krachten in mij gebruiken om de pijn te beheersen. Nu kan ik het alleen thuis. Ik woon op een aanzienlijke afstand van de arts. Mijn man hoeft me niet meer brengen. Ik kan opnieuw zelf achter het stuur plaatsnemen en ben niet langer afhankelijk van anderen.” Praktisch
|
Over hypnose doen nog altijd heel veel misvattingen de ronde. Dat je in trance helemaal weg bent van de wereld bijvoorbeeld, en volledig overgeleverd aan de macht van je hypnotiseur. ‘Je reinste onzin’, zegt hypnotherapeut Paul Koeck van het Antwerpse Milton H. Erickson Institute. ‘Hypnose is helemaal geen hocus-pocus, maar een doeltreffend hulpmiddel bij bijvoorbeeld stress of depressie. Wie het ondergaat, bevindt zich allesbehalve in een slaaptoestand maar in een toestand van verhoogde concentratie. Vergelijk het met in de ban zijn van een goed boek of een spannende film, dan verdwijnt ook al de rest in het niets. Als je in die toestand terechtkomt, ben je verhoogd gevoelig voor suggestie.’ Precies dat laatste maakt hypnose zo effectief bij behandeling van depressies, zegt dokter Koeck. ‘De negatieve, vastgeankerde associaties die je hebt – ik ben nergens goed voor, ik zal nooit een job vinden - kunnen met hypnose veranderd of bijgestuurd worden. Het komt erop aan die vicieuze cirkel waarin je bent terechtgekomen, te doorbreken, en opnieuw de lichtpuntjes te ontdekken.’ Concreet kan dat ondermeer door gebruik van
beeldspraak: de patiënt krijgt bijvoorbeeld de suggestie dat hij in het bos tegen een stevige eik gaat staan en de energie van die boom in zich opzuigt. Bij een andere techniek vragen hypnotherapeuten aan hun patiënten om zich te focussen op een stukje van hun lichaam dat zich wél oké voelt, bijvoorbeeld de knie of de teen, of ze gaan samen terug naar aangename herinneringen. Paul Koeck ontwikkelde ook een eigen techniek, ‘hypnotic scaling’, waarbij hij patiënten een soort “voelschaal” van 0 tot 10 aanleert. ‘0 staat voor ‘ik zit op mijn diepste’, 10 voor ‘ik ben oké’. Onder hypnose gaan we samen van onder naar boven en kijken we wat je voelt en denkt als je op de verschillende hoogtes op dieptes zit. Zo leer je op de duur te kiézen op welk niveau je wil zitten.’
Interview door Caroline De Ruyck,
Goed Gevoel, Februari 2006
Inhoud
De Ericksoniaanse literatuur staat vol met voorbeelden van ‘utilisatie’. Bij alle interventies van Milton H. Erickson kwam ‘utilisatie’ aan bod. Het basisprincipe van zijn ‘utilisatie-benadering’ is het gebruik maken van eender welke dominante overtuigingen, waarden, attituden, emoties of gedragingen de patiënt brengt, met de bedoeling een ervaring te ontwikkelen die therapeutische verandering zal initiëren of vergemakkelijken (Havens, 2003, p. 147). Een therapie die zich in belangrijke mate gebaseerd heeft op Ericksons werk is de oplossingsgerichte therapie van Steve de Shazer. Het doel van deze scriptie komt neer op het onderzoeken van de rol van ‘utilisatie’ in Ericksoniaanse en oplossingsgerichte therapie.
In deze scriptie kozen we ervoor om de historische lijn als structuur te volgen, zodat de lezer een duidelijk overzicht krijgt en het ontwikkelingsproces over de tijd kan reconstrueren. Bijgevolg verduidelijken we in het eerste deel van de scriptie Milton H. Ericksons therapie. Hierbij starten we met een overzicht van de geschiedenis en persoonlijke evolutie van Erickson (1901-1980). Op basis daarvan tonen we aan hoe zijn hypno- en psychotherapeutische visies zijn ontstaan. Erickson begon zijn carrière als hypnotherapeut, en ook zijn ‘utilisatie’ kwam oorspronkelijk uit de hypnose. Hieruit volgt dat we eerst zijn ‘utilisatie-benadering' van hypnotherapie zullen bespreken. Nadien heeft hij dit uitgebreid naar psychotherapie. Dit lichten we toe in het volgende deel waar we de psychotherapie van Erickson zullen bespreken. We sluiten het eerste deel af met een illustratie van Ericksons werkwijze, en dan voornamelijk gericht op zijn utilisatietechnieken. Dit lichten we toe aan de hand van een fragment uit een transcript. In het tweede deel van de scriptie verduidelijken we de oplossingsgerichte therapie (de Shazer, 1985) en brengen we de lezer op de hoogte van de Shazers zoektocht naar de essentie van Ericksons werk, en hoe dit aan de basis lag van zijn oplossingsgericht model. We beschrijven de technieken van dit therapiemodel, en zetten uiteen welke visie de Shazer heeft over Ericksoniaanse utilisatie. Afsluitend illustreren we de oplossingsgerichte technieken in de praktijk, aan de hand van enkele transcript-fragmenten van Steve de Shazer.
De probleemstelling van deze scriptie kan als volgt worden geformuleerd: Is Ericksoniaanse utilisatie de bouwsteen van oplossingsgerichte therapie? Zo ja, vernauwen we onze vraag. Hoe vertaalt zich dat precies in de oplossingsgerichte technieken van de Shazer? De uitwerking van deze probleemstelling komt aan bod in het derde deel van de scriptie via een grondige studie van de relevante literatuur. Aan de hand van de basiswerken van de Steve de Shazer en Milton H. Erickson onderzoeken we of er (en zo ja, waar, en welke) aspecten van utilisatie terug te vinden zijn in de Shazers oplossingsgerichte technieken.
Afsluitend vatten we de scriptie samen en plaatsen we de belangrijkste conclusies op een rijtje in het laatste deel.
Deze scriptie handelt over de rol van utilisatie in Ericksoniaanse en oplossingsgerichte therapie. De ‘utilisatie-benadering’ van trance-inductie (Erickson, 1958, 1959) en de ‘utilisatie’ van het gedrag en de symptomen van de patiënt als een integraal deel van therapie (Erickson, 1955, 1965b) maken deel uit van Ericksons originele bijdragen tot het veld van klinische hypnose en psychotherapie (Erickson, Rossi, & Rossi, 1976).
In het eerste deel van deze scriptie willen we toelichten wat er precies wordt begrepen onder Ericksoniaanse therapie. Eerst schetsen we de geschiedenis en persoonlijke evolutie van Milton H. Erickson, waaruit belangrijke implicaties voor zijn therapeutische aanpak, en bijgevolg ook zijn ‘utilisatie-benadering’, voortvloeien. Achtereenvolgens verduidelijken we zijn hypno- en psychotherapie. Erickson sprak altijd over therapie als een ‘leerproces’ (Havens, 2003). Zijn therapiemodel bleef vaag, onduidelijk en hij hield er een a-theoretisch standpunt op na (ref?Haley?). Daarnaast trachten we in dit deel ‘Ericksoniaanse utilisatie’ te verduidelijken. Dit is wellicht het meest specifieke, kenmerkende aspect van zijn therapie (Zeig?). Zelfs weerstand was iets waar hij gebruik van maakte (ref?). Afsluitend illustreren we Ericksons belangrijkste technieken aan de hand van een fragment uit een transcript.
Korte biografie van Milton H. Erickson
Erickson werd geboren in 1901. Hij groeide op op het platteland van Nevada en Wisconsin. Een door de landelijke levensstijl bepaalde houding vormde een integrerend deel van zijn leven (Zeig, 1980). Bij zijn geboorte had hij een aantal sensorische-perceptuele handicaps. Zo had hij een ongebruikelijke vorm van kleurenblindheid, geen gevoel voor ritme, toondoofheid en woordblindheid (Erickson & Rossi, 1977). Reeds vroeg in zijn jeugd raakte hij gefascineerd door het lezen en schrijven. Daar er op de boerderij weinig literatuur voorhanden was, hield hij zich bezig met het lezen van een kleine encyclopedie. Op 15-jarige leeftijd schreef hij zijn eerste publicatie in een nationaal tijdschrift: ‘Waarom jonge mensen de boerderij verlaten.’. Op 17-jarige leeftijd werd hij getroffen door een eerste aanval van poliomyelitis. Hij was gedurende zes maanden volledig verlamd. Pas tijdens zijn derde jaar aan de universiteit van Wisconsin volgde hij het seminarie van Clark L. Hull en begon hij zijn onderzoekingen op het gebied van hypnose. In 1928 behaalde Erickson simultaan het diploma van psychiater en psycholoog. In zijn professionele loopbaan was hij o.a. oprichter en voorzitter van de American Society of Clinical Hypnosis en oprichter en redacteur van de American Journal of Clinical Hypnosis (Zeig, 1980). Erickson was hoogleraar in de Psychiatrie aan de medische faculteit van de State University van Wayne (Zeig, 1980).
Erickson overwon een aanzienlijk aantal gezondheidsproblemen doorheen zijn leven. Op 51-jarige leeftijd kreeg hij een tweede aanval van polio. Vanaf 1967 was hij aangewezen op het gebruik van een rolstoel als gevolg van de polio. Hij leed veel pijn door de overblijfselen van zijn ziekte. Toch was Erickson zeer alert en levendig (Zeig, 1980). Hij genoot van het leven en was zeer positief ingesteld (Zeig, 1980). Erickson stierf in 1980 aan een acute infectie. Tot aan het einde toe was hij actief. Vóórdat hij plots ziek werd, had hij de bedoeling om door te gaan met doceren (Zeig?).
Invloeden op zijn ontwikkeling
Wanneer we het werk van Erickson bestuderen, stelt zich de vraag naar zijn invloeden. Binnen welke traditie werd zijn werk gesitueerd? Volgens Haley (1993) kan Erickson niet gesitueerd worden binnen de therapeutische scholen van zijn tijd. Wie waren zijn leraars? Er lijken geen enkele invloeden van andere therapeuten of mentors te zijn op de ontwikkeling van Ericksons denken. Hij was een psychiater, maar hij dacht niet zoals zijn collega’s. Gevraagd naar wat hem vooral had beïnvloed, verwees Erickson zelf niet naar een leraar, een theorie of naar de invloed van een leermeester. Hij verwees eerder naar obstakels die hij overwonnen had in zijn leven of naar inspirerende ervaringen.
Een aantal persoonlijke factoren en ervaringen van Erickson hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van zijn interesse, attitudes en benaderingen in autohypnose, trance en psychotherapie (Erickson & Rossi, 1977). Zijn geschiedenis en persoonlijke ontwikkeling zal ons tonen waarom “leren” centraal staat in zijn therapiemodel, en hoe utilisatie de start naar leren is.
Eigen beperkingen als bron van “leren”?
Zijn eigen aangeboren problemen dwongen hem al vroeg individuele verschillen in sensorisch-perceptueel functioneren te herkennen (Erickson & Rossi, 1977). De motivatie voor zijn eerste onderzoekingen op het gebied van hypnose met Clark Hull in 1923 kwam zo voort uit zeer persoonlijke bronnen en levenservaringen (Erickson & Rossi, 1977). Ericksons allereerste autohypnotische ervaring centreerde zich rond een proces van leren (Erickson & Rossi, 1977). Zo kon hij op zesjarige leeftijd als gevolg van zijn dyslexie het onderscheid niet maken tussen een 3 en een m, hoe hard zijn lerares het ook probeerde uit te leggen. Het was tijdens een “creatief moment van inzicht” toen hij uiteindelijk, in de hallucinatie van een verblindende lichtflits, het verschil zag tussen een letter 3 en een m. In deze vroege ervaring zien we het begin van een patroon waarin veranderde bewustzijnstoestanden over het algemeen zijn gekoppeld aan nieuwe leerervaringen (Erickson & Rossi, 1977).
Op school had Erickson de bijnaam ‘Woordenboek’, omdat hij zo vaak in het woordenboek zat te lezen (Erickson, 1977). Omwille van zijn dyslexie begreep hij de alfabetische volgorde van het alfabet niet. Daardoor was hij verplicht om bij het opzoeken van een woord telkens het ganse woordenboek door te lezen tot hij op de juiste letter was aangekomen. Tot hij plotseling, tijdens een soortgelijk creatief moment van inzicht, geleerd had hoe hij een woordenboek moest gebruiken (Erickson, 1977). Gevolg hiervan is dat geen enkele psychiater of psycholoog waarschijnlijk zo dikwijls al de verschillende meervoudige betekenissen van woorden tot in hun nuances heeft leren kennen.
Als gevolg van de polio, waardoor hij gedurende zes maanden verlamd was, heeft Erickson zich in veel opzichten opnieuw moeten trainen (Zeig?). Hij heeft zijn eigen revalidatieprogramma opgesteld door zijn jongere zusjes te observeren, om van hen te leren hoe ze leerden kruipen en lopen. Hij maakte bijgevolg geen gebruik van medische kennis maar hij “utiliseerde” de bron van informatie die het dagelijkse leven bevat. Erickson beweerde dat polio de beste leermeester was, die hij ooit gehad had over het menselijk gedrag en de mogelijkheden ervan (Zeig, 1980).
Deze ervaringen uit Ericksons leven tonen aan dat hij met zijn beperkingen heeft moeten leren omgaan, meer nog, hij heeft ze ook leren gebruiken. Bijvoorbeeld, zijn toondoofheid maakte dat Erickson zeer alert was voor de wijze waarop mensen iets zeggen, en minder afgeleid door de woorden die ze gebruiken. Ook zijn ziekte transformeerde hij op een creatieve manier; hij verbeterde zijn zintuiglijk vermogen, hij ontwikkelde een betere lichaamsperceptie, en scherpte zijn observatiemogelijkheden (Rossi, 1995). Ook leerde hij zich autohypnose aan om de pijn, veroorzaakt door de overblijfselen van de polio, te verzachten (Erickson, 1977).
Concluderend kunnen we zeggen dat Erickson zijn moeilijkheden en beperkingen zag als een bron van “leren”.
“Leren” als metafoor voor Ericksoniaanse therapie
Erickson legde veelvuldig de nadruk op therapie als een ‘leerproces’. Hij trachtte bij zijn cliënten steeds een context te scheppen om een leerervaring op gang te brengen. Erickson deed dit op een indirecte manier (ref?). Deze leerervaring is volgens hem noodzakelijk om tot verandering te komen bij de cliënt. Therapeutische verandering blijft wel de verantwoordelijkheid van de cliënt. De therapeut biedt voornamelijk een omgeving om verandering te bevorderen (ref? Havens?).
Erickson was tevens een inspirerende leraar. Hij legde een grote nadruk op ‘onbewust leren’ (Zeig, 1980). In het boek ‘Teaching seminar with Milton H. Erickson’ uit 1980, zegt Erickson: “In psychotherapy you teach a patient to use a great many of the things that they learned, and learned a long time ago, and don’t remember learning.” (pp. 38).
“Leren” is een metafoor voor de Ericksoniaanse therapie. Problemen, obstakels en handicaps kunnen mogelijkheden worden om de kennis en het kunnen te verruimen (Erickson Betty Alice, 1995). Erickson beschreef therapie als een manier om patiënten te helpen hun grenzen uit te breiden (Haley, 1967). En dat is wat Erickson ook tijdens zijn eigen leven heeft gedaan.
Utilisatie als toegangspoort naar de ‘bestaande’ ervaring en kennis?
Een essentieel aspect van Ericksons methode was een techniek die utilisatie werd genoemd. Deze term duidt op het gebruik maken van eender wat de patiënt in de therapie brengt, en eender wat er bestaat in de context, om therapeutische en hypnotische doelen te bereiken (Zeig, 2003).
Ericksons herstel van polio, toen hij 17 jaar was, ligt volgens Rossi (Erickson & Rossi, 1977) aan de oorsprong van zijn utilisatie-benadering. Hij was gedurende zes maanden volledig verlamd. Zoals reeds kort vernoemd, observeerde Erickson tijdens zijn herstelperiode zijn jongste zusje, om van haar te leren hoe ze leerde kruipen en lopen. Hij observeerde deze bewegingen en probeerde zich te herinneren hoe het voelde om deze en andere bewegingen uit te voeren, welke spieren er concreet geactiveerd werden tijdens het bewegen (Rossi & Erickson, 1977). Via vroege zintuiglijke herinneringen kon hij het gebruik van zijn spieren weer herinneren en dit opnieuw aanleren. Erickson heeft zich deze benaderingen zelf aangeleerd. Dit gebruik van het repertoire aan herinneringsbeelden en leerervaringen gaf aanleiding tot ideomotorische en ideosensorische processen, en is de basis van Ericksons utilisatie-theorie van hypnotische suggestie (Erickson & Rossi, 1976). Algemeen kunnen we dus stellen dat Erickson gebruik maakte van zijn ‘bestaande’ kennis en ervaring om te revalideren van polio.
Erickson was ook een strategisch therapeut (Zeig, 1980). Wanneer we zijn conversaties met Haley lezen, merken we meer de nadruk op dit strategische aspect. Waarschijnlijk maakte Erickson gebruik van Haleys natuurlijke aanleg voor strategie en hielp hem als “coach” zo vermoedelijk de grondslag van zijn strategische theorie te leggen.
Erickson zag utilisatie als een manier om bij de patiënt een ervaring te ontwikkelen die therapeutische verandering zal initiëren of vergemakkelijken. Hierbij maakte hij gebruik van de dominante karakteristieken van de patiënt en de context. Samenvattend kunnen we zeggen dat utilisatie de mogelijkheid biedt om een leerproces bij de cliënt op gang te brengen. In het volgende deel bespreken we Ericksons hypnotherapie, waaruit zijn utilisatie-benadering is gegroeid.
Erickson als hypnotiseur
Erickson raakte geïntrigeerd door hypnose toen hij als student aan de universiteit van Wisconsin een demonstratie bijwoonde van Clark L. Hull. Hierna volgde hij een aantal seminaries bij deze laatste. In zijn vrije tijd ging hij zelf familieleden, vrienden en studenten hypnotiseren. In zijn eerste jaren deed Erickson vooral onderzoeken naar de natuur van hypnose en ontwikkelde daar een eerdere interactieve - communicatiebenadering van hypnose als middel om de patiënt nieuwe ideeën te communiceren en aan te leren (Haley, 1967). Dit in tegenstelling tot het meer autoritaire model dat in de medische wereld voor hypnose gangbaar was. Hypnotiseerbaarheid was niet meer een eigenschap van de patiënt maar van de communicatie tussen patiënt en hypnotherapeut: hoe beter de therapeut “utiliseert” of gebruik maakt van wat de patiënt brengt, hoe groter de slaagkans.
Erickson als hypnotherapeut
In de jaren vijftig was Milton H. Erickson (1901-1980) een ‘outsider’, die hoofdzakelijk gekend was als een groot medisch hypnotherapeut (ref?). De meerderheid van zijn lezingen, demonstraties en publicaties handelde over de hypnose en hypnotherapie. Zijn therapiebenadering was ongewoon en controversieel. Erickson is de grondlegger van de moderne hypnotherapie (Rosen, 1982). Hij was bekend om zijn indirecte vormen van hypnotische suggestie (ref?). Dit in tegenstelling tot andere hypnotherapeuten van zijn tijd die met directe suggesties werkten. In plaats van traditionele trance-inducties te gebruiken, focuste Erickson op “naturalistische technieken” die simpelweg kunnen voortkomen uit de interactionele situatie (de Shazer, 1985).
Erickson veronderstelde in ieder persoon een ‘onbewuste’ en hechtte grote waarde aan de wijsheid van dit onbewuste. Hij schreef het belangrijke probleemoplossende en creatieve capaciteiten toe, en hypnose beschouwde hij als een hulpmiddel om deze mogelijkheden te stimuleren (van der Hart, 1979). Erickson en Rossi (1979) zien hypnotherapie als een proces waarmee ze mensen helpen van hun eigen mentale associaties, herinneringen en levenspotentieel gebruik te maken om hun eigen therapeutische doelen te bereiken.
In Ericksons visie is hypnose een natuurlijk verschijnsel. Zijn ‘utilisatie-benadering’ (Erickson, 1965) ontstond en ontwikkelde deels uit zijn recognitie dat alle hypnotische trance fenomenen natuurlijk en spontaan gebeuren in alledaagse levenssituaties (Dolan, 1985). De term ‘utilisatie’ komt dus oorspronkelijk uit Ericksons hypnose en is nadien uitgebreid naar psychotherapie. Niettegenstaande Erickson zich inderdaad voor het grootste deel met hypnose heeft bezig gehouden, zijn de technieken en de stijl die hij binnen de hypnose ontwikkelde achteraf een onderdeel geworden van zijn therapie in brede zin. Ook de scholen die uit Erickson zijn gegroeid, werkten niet meer altijd met hypnose maar veel van de basisbeginselen zoals utilisatie bleven een onderdeel uitmaken. Voorbeelden hiervan zijn de oplossingsgerichte korte therapie van de Shazer en de ‘Possibility therapy’ van Bill O’Hanlon.
In het volgende deel brengen we de lezer op de hoogte van Ericksons ‘utilisatie-benadering’ binnen de hypnotherapie.
‘Utilisatie-benadering’ binnen hypnotherapie
Alvorens we Ericksons visie op utilisatie bespreken, geven we eerst de omschrijving die het Van Dale handwoordenboek van hedendaags Nederlands geeft aan het woord “utilisatie”: “het ten nutte maken, nuttig gebruik” (van Lat. utilis = nuttig).
Utilisatie is een centraal principe in Ericksons werk (Zeig, 1992). ‘Ericksoniaanse utilisatie’ is gebaseerd op de filosofie dat de unieke kwaliteiten van elke cliënt een resource zijn die positief kunnen gebruikt worden (Havens, 2003). De Ericksoniaanse therapeut stimuleert vroegere onherkende resources.
In zijn artikel ‘Naturalistic Techniques of Hypnosis’ uit 1958, zegt Erickson:
“By naturalistic approach is meant the acceptance and utilization of the situation encountered without endeavouring to psychologically restructure it. In so doing, the presenting behaviour of the patient becomes a definite aid and an actual part in inducing a trance, rather than a possible hindrance.” (Erickson, 1958, p. 1)
In hetzelfde artikel uit 1958, zegt Erickson nog:
“There is an imperative need to accept and to utilize those psychological states, understandings and attitudes that the patient brings into the situation. …The acceptance and utilization of those factors …promotes more rapid trance induction, the development of more profound trance states, the more ready acceptance of therapy, and greater ease for the handling of the total therapeutic situation.” (Erickson, 1958, p 9)
Ericksons hypnotherapie wordt gekenmerkt door een ‘naturalistische’ of ‘utilisatie-benadering’, waarbij de unieke persoonlijkheid en gedragingen van de cliënt worden benut om trance te bevorderen (Erickson & Rossi, 1979). De aandacht van de cliënt wordt gefixeerd op een of ander belangrijk aspect van zijn persoonlijkheid of gedrag (Erickson & Rossi, 1979). Ericksons methoden zijn gebaseerd op het benutten of utiliseren van de eigen attitudes, gedachten, gevoelens en gedragingen van de cliënt, en aspecten van de reële situatie, als de essentiële componenten van de trance inductieprocedure (Erickson, 1959).
In de utilisatie-benadering ligt de nadruk op het voortdurend aan bod laten komen van het unieke repertoire van vaardigheden en mogelijkheden van elke cliënt. De indirecte vormen van suggestie zijn hierbij de middelen waarmee de therapeut dit kan bevorderen (Erickson & Rossi, 1979). De ‘utilisatie-benadering’ van trance-inductie (Erickson, 1958, 1959) en de ‘utilisatie’ van het gedrag en de symptomen van de patiënt als een integraal deel van therapie (Erickson, 1955, 1965b) maken deel uit van Ericksons originele bijdragen tot het veld van klinische hypnose en psychotherapie (Erickson, Rossi, & Rossi, 1976). Zijn ‘utilisatie’-methode is één van de manieren waarop “klinische” hypnose verschillend is van de traditionele benaderingen van experimentele en onderzoekshypnose. De utilisatiebenadering activeert en ontwikkelt verder wat er reeds in de patiënt zit, eerder dan trachten iets op te leggen van buiten uit, dat niet zou passen binnen de individualiteit van de patiënt (Erickson & Rossi, 1976).
Ericksons ‘utilisatie-benadering’ van hypnotherapie kan gezien worden als een proces in drie fasen: (1) een periode van voorbereiding waarin de therapeut het repertoire van levenservaringen van de cliënt exploreert en tevens constructieve referentiekaders naar voor laat komen die de cliënt oriënteren in de richting van therapeutische verandering; (2) een activeren en benutten (‘utilisatie’) van de eigen mentale vaardigheden van de cliënt gedurende een periode van therapeutische trance; (3) een nauwgezette herkenning, erkenning, evaluatie en bekrachtiging van de therapeutische verandering die plaatsvindt (Erickson & Rossi, 1979).
Utilisatie sloeg bij Erickson niet alleen op het benutten van eender wat je bij de patiënt merkt, maar even goed op het gebruik maken van de persoonlijke stijl en ervaringen van de therapeut. In zijn audio-opname van september 1962, verwijst hij (hier in de context van hypnose) ook duidelijk naar het belang van de eigen resources van de therapeut of arts te utiliseren:
“My own induction techniques are expressive of me, of my timing, my rythm, my personality, my emotional feeling, my attitude towards my patient. So is it with anybody else. …
… what I whish to present to you is my understanding of how the doctor should feel when undertaking to induce a trance: what he should understand about the situation, what he should know about himself, what he should know and understand about the patient” (Erickson, 1962, p.1)
In dit citaat lijkt Erickson te refereren naar het gebruik maken of “utiliseren” van zowel de situatie, de patiënt, als de therapeut.
In het artikel ‘Hypnosis in Medicine’ uit 1944 zegt Erickson:
“The able hypnotist is the one who is able to adapt technique to the personality needs of each subject.” …
“Properly, hypnotists should have a good appreciation of their own personality and capabilities so that they may adapt themselves to the specific personality needs of each subject.” (Erickson, 1944, p. 4)
In dit artikel over hypnose duidt Erickson reeds op het belang van het aanpassen van de techniek aan de persoonlijkheid van de cliënt, in plaats van de cliënt te laten passen in een bepaalde techniek. De hypnotherapeut ‘utiliseert’ dus eigenlijk de persoonlijkheid van de cliënt. En omgekeerd ‘utiliseert’ hij ook zijn eigen persoonlijkheid en bekwaamheden om zich te kunnen aanpassen aan de cliënt. Dit vraagt van de therapeut een flexibiliteit om zich aan te passen aan het unieke van iedere cliënt.
“Each person is a unique individual. Hence, psychotherapy should be formulated to meet the uniqueness of the individual’s needs, rather than tailoring the person to fit the Procrustean bed of a hypothetical theory of human behavior.” (Ericksons citaat in Zeig, 1982, p. 8)
Erickson & Rossi, 1979 (p. 415):
“Yes, therapy should always be designed to fit the patient and not the patient to fit the therapy.”
Hieruit volgt dat Erickson tegen iedere vorm van theoretisering was. Hij zag ieder persoon als uniek, en dus zou voor elke persoon een aparte theorie nodig zijn. Erickson werkte niet vanuit de theorie, maar altijd vanuit het doel. Volgens Rosen (1979) is zijn doelgerichtheid een belangrijk kenmerk van zijn leven en werk. Erickson kon utilisatie enkel gebruiken omdat hij utilisatie koppelde aan een observatie, met in het achterhoofd een doel. Uitstekende observatievaardigheden zijn bijgevolg van het grootste belang, aangezien zelfs de kleinste gedragsveranderingen belangrijke informatie geven over de interesses en mogelijkheden van de patiënt. Van deze informatie kan de hypnotherapeut vervolgens gebruik maken om de patiënt te helpen een “trance” te bereiken (ref?). Therapie bestaat dan uit het gebruik maken van wat de persoon vroeger reeds heeft geleerd en dit toe te passen op andere wijzen, in andere contexten (ref?). In plaats van iets nieuws te creëren, hielp Erickson bijgevolg eerder de mogelijkheden van de patiënt te ontwikkelen en gebruik te maken van wat hij reeds heeft (Erickson & Rossi, 1976).
Samenvattend kunnen we stellen dat volgens Erickson alles wat tijdens de sessie gebeurt, gebruikt kan worden om therapeutische verandering te initiëren, of het nu weerstand, emoties, bepaalde gedragingen of interesses van de cliënt zijn. Het aansluiten bij, en het benutten van de unieke kenmerken van de cliënt vinden we terug bij al zijn gevalsbeschrijvingen (Zeig, 1993). We zullen Ericksons ‘utilisatie-benadering’ illustreren aan de hand van een voorbeeld uit de klinische praktijk.
Zoals uiteengezet in het vorige deel, was Erickson oorspronkelijk een hypnotherapeut. Zijn psychotherapeutische visies zijn gegroeid uit de hypnose. Wat wordt nu precies bedoeld met ‘Ericksoniaanse therapie’? Ericksoniaanse therapie omvat het brede veld van creatieve methoden die geïnspireerd werden door het leven en werk van Milton H. Erickson (Hoyt, 1995).
Complex therapiemodel
Ericksons therapiebenadering was ongewoon en controversieel. Hij deed kortdurende therapieën in een periode waarin de enige geaccepteerde therapie psychodynamische lange termijntherapie was. In die tijd veronderstelde men dat lange termijntherapie nodig was om verandering te brengen. Erickson richtte zich meer op het heden dan op het verleden, terwijl in orthodoxe therapie tot in de jaren vijftig de focus volledig op het verleden lag. Ook deed hij hypnose in een periode dat dit niet geaccepteerd werd, en hypnose niet ‘wetenschappelijk’ was. Vandaag de dag merken we dat het therapieveld naar Ericksons richting is verschoven. Dit merken we onder meer aan de opkomst van kortdurende therapieën, de vele therapieën waar de focus op het hier en nu ligt, en de aanvaarding van hypnose binnen de psychotherapie.
Erickson is niet eenvoudig te situeren binnen één van de grote therapeutische scholen. Hij vertrok niet vanuit één van de standaard therapie-ideologieën van zijn tijd. Volgens Haley (1993), die 17 jaar met Erickson studeerde, baseerde Erickson zijn ideeën niet op de psychodynamische theorie en maakte hij geen gebruik van de interpretatie van het onbewuste, het basisinstrument van deze benadering. Ook de basispremissen van de gedragstherapie of het gebruik van het hoofdinstrument, expliciete positieve bekrachtiging, accepteerde Erickson niet. Hij baseerde zich ook niet op de systeemtheorie en hun basisidee dat het gedrag van iedereen in een systeem het product is van het gedrag van alle anderen in het systeem. Het is opmerkelijk dat een therapeut zo gekend kan zijn en zijn typische gevalsbeschrijvingen zo wijd verspreid zijn, terwijl zijn basisideologie in vele opzichten onduidelijk blijft (Haley, 1993).
Erickson ontwikkelde een heel eigen therapiebenadering, die moeilijk terug te voeren is op een duidelijke theoretische onderbouw. Erickson gebruikte zelden of nooit definities. In feite was hij tegen iedere vorm van theoretisering omdat volgens hem iedere persoon uniek is en bijgevolg een aparte theorie zou vragen. Hij richtte zich niet op algemeenheden, maar op de individuele bijzonderheden. Het a-theoretisch karakter van zijn benadering maakt het heel moeilijk om zijn therapie samen te vatten en te zoeken naar de essentie van Ericksons therapie. Bijna iedere cliënt benaderde hij anders, wegens zijn overtuiging van het unieke van elke persoon. Een nadeel is bijgevolg dat zijn benadering moeilijk in kaart te brengen is, er is geen eenduidig protocol.
In de conversaties tussen Erickson en de psychoanalyticus Wolberg uit 1945 bemerken we dat Erickson niet het wetenschappelijk paradigma gebruikt, maar uitgaat van wat hij ziet en hoort (zijn utilisatiebenadering). Misschien is dit wel het essentiële verschil tussen de psychoanalyse en Erickson, nl. dat de psychoanalyse uitgaat van onderzoek en theorie, terwijl Ericksons therapie niet vertrekt vanuit een theorie, wel vanuit zijn eigen ervaring en observatie. Erickson gebruikte zijn creativiteit en flexibiliteit. Een nadeel dat hieruit volgt, is dat zijn therapie minder meetbaar is.
Ericksons bijdrage tot de psychotherapie
Milton H. Erickson wordt vaak erkend als de belangrijkste autoriteit op het gebied van hypnotherapie en korte strategische psychotherapie (Zeig, 1980). Hij wordt beschouwd als een van de meest creatieve, scherpzinnige, vindingrijke, doch moeilijk te doorgronden psychotherapeutische persoonlijkheden aller tijden. Ook wordt Erickson dikwijls vernoemd als ’s werelds grootste expert in het communiceren (Zeig, 1980).
Nochtans bleef zijn werk relatief onbekend en weinig geaccepteerd toen hij nog leefde. Pas op het einde van zijn leven werd Milton H. Erickson een belangrijke inspiratiebron voor grote therapeuten zoals Jay Haley en Paul Watzlawick. Zo heeft hij een belangrijke invloed gehad op de hypnotherapie, gezinstherapie en interactionele benaderingen. Zowel het Korte therapiemodel van het Mental Research Institute te Palo Alto (Weakland, Fish, Watzlawick, & Bodin, 1974), de strategische benadering van Jay Haley (Haley, 1976), als het oplossingsgerichte korte therapiemodel (de Shazer, 1985) werden beïnvloed door Erickson. Ook is hij de inspiratiebron achter de N.L.P. (Neuro Linguistic Programming) van Bandler en Grinder (1974).
Vijf strategieën van Milton H. Erickson
Dan Short was directeur van de archieven van de Milton Erickson Foundation. Daardoor heeft hij Ericksons werken goed kunnen bestuderen. Volgens Short (workshop, 2003) maakte Erickson gebruik van vijf strategieën, waarin we zijn technieken kunnen onderbrengen: fragmentatie, progressie, afleiding, heroriëntatie en utilisatie. Erickson was niet de enige persoon die deze strategieën gebruikte, maar er zijn weinig scholen die alle vijf de strategieën gebruiken (Short, 2003).
Erickson individualiseerde veel van zijn technieken. Hij paste de technieken zowel aan het ‘unieke’ van iedere patiënt aan, als aan zijn eigen persoon. Zo was de manier van werken tijdens zijn actieve periode, verschillend van toen hij in een latere periode in een rolstoel zat.
Short (2003) benadrukt het belang van een goed begrip van de strategie, of anders geformuleerd de therapeutische functie, alvorens een techniek te gebruiken.
Fragmentatie
Deze strategie die duidt op het in kleinere delen opsplitsen van de problemen, en de ervaringen van de cliënt. Het is het doorbreken van negatieve associaties door het verdelen van een overstelpende realiteit in kleinere, eenvoudiger te verwerken delen (Short, 2003). Dit fragmenteren van de problemen kan ervoor zorgen dat er hoop wordt geïnstalleerd en dat de cliënt beter met zijn problemen kan omgaan. Algemene technieken die onder deze strategie zijn terug te brengen, zijn o.a.: functionele analyses (gedrag, antecedenten, consequenten), symptoomdefinitie: tijd, plaats, graad van ernst, gesplitst bewustzijn: ego-states, inner guide, bewust/onbewust, en prognostische opsplitsing: graad en volgorde van herstel.
Hieronder volgt een kort voorbeeld van fragmentatie uit het klinisch werk van Erickson (Short, 2003). Hij vertelde een patiënt dat het beste wat hij kon verwachten, een 50% succesratio zou zijn. Erickson verwachtte dus dat hij 50-55% van de tijd zou falen. De man startte een discussie met Erickson over het feit dat als het zo dicht was (zo’n klein verschil), het een klein beetje in zijn voordeel zou moeten zijn. De patiënt was degene die disputeerde over zijn toekomstige vooruitgang. Bijgevolg verschoof Erickson de ratio naar 45% falen. Uit dit voorbeeld blijkt dat Erickson plaats laat om te falen.
Progressie
Deze strategie gaat ervan uit dat de cliënt altijd wel één kleine stap kan maken die al een vooruitgang is. Het is het opbouwen van een serie kleine successen. Bijgevolg wordt er meer hoop gecreëerd. Voorbeelden van technieken zijn: progressieve relaxatie, desensitisatie, mirakelvraag, schaalvragen.
Afleiding
Deze strategie betreft een aandachtsverandering die resulteert in een grotere capaciteit om toegang te krijgen tot automatische gedragspatronen. Hieruit volgt vaak een afname van spanning en inhibitie.
Heroriëntatie
Het heroriënteren van problemen is een strategie die kan helpen als de cliënt ‘vastzit’. Het is vergelijkbaar met het kijken naar een oud probleem vanuit een nieuw perspectief. Technieken die onder deze strategie thuishoren, zijn onder meer het herkaderen (reframing) en het externaliseren van problemen.
Utilisatie
Short (2003) ziet utilisatie als een strategie. Hier zien we weer dat utilisatie vanuit deze invalshoek tevoorschijn komt. Erickson sprak zelf over ‘utilisatie-technieken’, terwijl Zeig (2003) Ericksoniaanse utilisatie eerder een oriëntatie noemt dan een techniek.
Belangrijkste technieken
In deze tekst zal ik een selectie van zijn belangrijkste technieken beschrijven. Al zijn technieken hier beschrijven lijkt een onmogelijke opdracht daar ze zo talrijk zijn. Indien mogelijk benaderde hij iedere patiënt anders, en gebruikte hij telkens een nieuwe techniek. Ik bespreek een aantal typisch Ericksoniaanse technieken die hij vaak toepaste zoals indirecte suggestie, utilisatie, het gebruik van anekdotes en metaforen, communicatie op meerdere niveaus, herkaderen.
Utilisatie mag zeker niet ontbreken in een tekst over Ericksons belangrijkste technieken. Aangezien we in het volgende hoofdstuk ‘Ericksoniaanse utilisatie’ dieper op de techniek ingaan, wordt deze hier slechts kort vernoemd.
Indirecte suggestie
Alhoewel Erickson vrij direct kon zijn, was zijn typische benadering indirect. Hij maakte veel gebruik van indirecte methoden, met de bedoeling onbewuste verandering tot stand te brengen. Volgens hem functioneren mensen het beste wanneer zij automatisch of onbewust functioneren, dit wil zeggen zonder tussenkomst of belemmering van het bewustzijn (Zeig, 1980).
Utilisatie
Voor een uitgebreide bespreking van deze belangrijke Ericksonsiaanse techniek verwijzen we de lezer naar het volgende hoofdstuk ‘Ericksoniaanse utilisatie’.
Anekdotes en metaforen
Om veranderingen in het onbewuste van zijn patiënten teweeg te brengen, maakte hij gebruik van anekdotes, en metaforen. Zijn gebruik van anekdotes hield een sterk ontwikkeld en effectief gebruik van verbale communicatie in (Zeig, 1980). De meerderheid van de anekdotes die Erickson vertelde, waren niet-fictieve beschrijvingen van gebeurtenissen uit zijn eigen leven en uit het leven van zijn gezin en van zijn patiënten (Zeig, 1980). De beste manier om anekdotes te gebruiken is om ze zorgvuldig op iedere afzonderlijke patiënt af te stemmen en aan hem aan te passen. Ze moeten zodanig zijn opgebouwd dat ze binnen het denkkader van de patiënt passen.
Communicatie op meerdere niveaus
Ericksons manier van communiceren was complex. Hij gebruikte communicatie consequent op meerdere niveaus, en formuleerde zijn woorden heel doordacht en nauwkeurig. Zo gebruikte hij zinswendingen die voor meerdere uitleg vatbaar waren, en kaderde die in anekdotes of verhalen die een metafore strekking hadden. Therapeutische communicatie op meerdere niveaus kan een krachtig technisch middel zijn (Zeig, 1980).
Herkaderen
Herkaderen of “reframing” is een techniek om een andere en positieve attitude ten opzichte van de symptomatische situatie te bewerkstelligen (Zeig, 1980). Herkaderen is de techniek van het definiëren van een probleem op een iets andere manier dan de patiënt het probleem definieert. Anekdotes kunnen ook gebruikt worden om een probleem te herkaderen.
Het ‘unieke’ van Ericksoniaanse therapie
Omwille van het a-theoretisch karakter van zijn werk, hebben vele studenten pogingen ondernomen om de essentie van zijn benadering te ontdekken en te beschrijven, met de bedoeling het werk meer toegankelijk te maken. O’Hanlon (1987) ziet Ericksons utilisatie-benadering als de belangrijkste bijdrage tot therapie. Volgens Rossi (1976, 1979, 1981), een leerling van Erickson en tevens Jungiaans analyst, zijn de twee grootste kenmerken uit Ericksons werk de indirecte vormen van suggestie en de utilisatie-benadering. De Lanktons (1983) vernoemen drie typische kenmerken van Ericksons benadering, nl. indirectie, utilisatie en communicatie op meerdere niveaus.
Ook de Shazer, de oprichter van de oplossingsgerichte therapie, was lange tijd op zoek naar de onderliggende fundamentele Ericksoniaanse theorie. In het tweede deel van deze scriptie zullen we zijn bevindingen nader toelichten.
Samenvattend kunnen we stellen dat utilisatie een centraal aspect lijkt te zijn in Ericksoniaanse therapie. Al zijn leerlingen hebben het principe van utilisatie opgenomen in hun theorieën en methoden. Toch lijken elk van zijn opvolgers slechts een stukje van zijn werk te hebben genomen, en dus niemand zijn volledige visie. Allen leggen ze meer de nadruk op een ander aspect uit Ericksons werk.
Oorsprong van het begrip ‘utilisatie’
Wanneer we de literatuur van Milton H. Erickson bestuderen, bemerken we het begrip ‘utilisatie’ voor het eerst in Ericksons vroege experimentele werk. Erickson (1958) schreef de utilisatie-methode toe aan een onderzoek uit 1943, omschreven in zijn artikel ‘Hypnotic investigation of psychosomatic phenomena: a controlled experimental use of hypnotic regression in the therapy of an acquired food intolerance’.
Als we over utilisatie spreken in deze scriptie, is het belangrijk steeds het onderscheid voor ogen te houden tussen utilisatie als een woord en ‘utilisatie’ als een ‘technische term’. Het effectief invoeren van utilisatie als uitgesproken begrip, zodat het woord evolueert naar een ‘technische term’, is vermoedelijk vooral ontstaan in interactie met zijn latere leerlingen, en vanuit zijn wens dat de volgende generatie, wel theorieën zouden ontwikkelen, waar hijzelf steeds beweerde dat het te vroeg was om de inzichten die hij aan het opbouwen was, reeds in een (misschien voor hem té limiterende) theorie te gieten. In de literatuur van Erickson vinden we nergens een eenduidige definitie voor het begrip ‘utilisatie’.
In het boek ‘Healing in Hypnosis’ (1983) dat Erickson schreef met Ernest Rossi als junior coauteur. Rossi schrijft hier:
“What was worse, Erickson was quickly learning to spoof me by periodically using my own terms (…) with sly seriousness. He was starting to teach me by utilizing the concepts already in my own mind! I could only stop that by more or less shutting up on my own vocabulary and struggling to use his. But some translations and modifications were required. Although I could understand and appreciate his benign use of the words “technique” and “manipulate”, we agreed that the concepts of indirect hypnotic approaches and the utilization of mental mechanisms would be more appropriate conceptualisations.” (Rossi, 1983, p. 48)
De veelvoudige moeilijkheden die Erickson moest overwinnen door de toevallige kleine trucjes van het dagelijkse leven te ontdekken, maakte waarschijnlijk het dagelijks utiliseren of gebruik maken van al wat bruikbaar is tot de normaalste zaak in zijn leven. Waardoor het misschien niet onlogisch is dat het begrip voor hem zo evident was, dat het geen aparte theorie hoefde.
Het principe van utilisatie is ondertussen door meerdere van zijn leerlingen beschreven en uitgebreid. Haley (1973) beschreef het belang van het accepteren van weerstand; de Lanktons (1983) besproken Ericksons concept van het utiliseren van weerstand; Dolan (1985) onderzocht Ericksoniaanse utilisatie bij patiënten met chronische problemen en weerstand; de Shazer (1988) beschreef hoe men de geschiedenis van ‘uitzonderingen’ van de cliënt kan utiliseren.
Relationeel begrip
Utilisatie is een relationeel begrip en zit bijgevolg in de communicatie tussen de patiënt en de therapeut. In zijn artikel ‘Special techniques of brief hypnotherapy’ uit 1954, zegt Erickson:
“Essentially the purpose of psychotherapy should be the helping of the patient in that fashion most adequate, available, and acceptable. In rendering the patient aid, there should be full respect for and utilization of whatever the patient presents.” (Erickson, 1954, p.21)
Zeig, een leerling van Erickson, gelooft dat alle goede ‘communicatoren’ utiliseren. Zoals reeds vernoemd in de scriptie ziet Zeig (2003) utilisatie niet louter als een techniek maar eerder als een oriëntatie. Utilisatie was voor Erickson een levensstijl, en een manier van kijken naar mensen en problemen. Utilisatie was een integraal deel van zijn persoon. Zeig (1992) zegt:
“Utilization can be defined as the readiness of the therapist to respond strategically to any and all aspects of the patient or the environment”(Zeig, 1992, p.256).
Volgens hem kan elk aspect van de therapie-ervaring gebruikt worden, bijvoorbeeld de stijl van de patiënt, zijn gedragingen, geschiedenis, en familie. De therapeut kan ook gebruik maken van symptomen en weerstand. Hij kan zelfs het sociaal systeem van de patiënt en zijn omgeving benutten (Zeig, 1992).
Een citaat van Freud dat een goede omschrijving van Erickson geeft:
“It is not a modern dictum but an old saying of physicians that these diseases are not cured by the drug but by the physician, that is by the personality of the physician, inasmuch as through it he exerts a mental influence (Freud, 1905).”
De persoonlijkheid van de arts/therapeut oefent een belangrijke (mentale) invloed uit op zijn cliënten, en bijgevolg ook op hun ziekten/problemen. De persoonlijkheid van de therapeut is dus een krachtig middel bij het uitoefenen van psychotherapie.
Erickson spreekt ook over het utiliseren van de persoon van de therapeut…
Over het algemeen utiliseren grote therapeuten eigenschappen van zichzelf. Zowel Erickson als de Shazer maken gebruik van hun persoonlijkheid en mogelijkheden, niet alleen bij het ontwikkelen van hun respectievelijke model maar ook tijdens hun therapieën met cliënten.
Zo maakte Erickson op een constructieve wijze gebruik van zijn persoonlijkheid (ervaringen/handicaps/beperkingen) in therapeutische situaties.
Waarom is utilisatie vernieuwend?
Door de aandachtsverschuiving op leerprocessen, is de nood om aan te sluiten op de ervaring en kennis van de leerling belangrijk. We hebben hier te maken met een resources-model en geen pathologie-model. Utilisatie is dus een vernieuwend begrip, dat Milton H. Erickson vooral naar voor heeft gebracht.
Het onderliggend basisprincipe van al zijn technieken en methoden is utilisatie (Hoyt, 1995). De essentiële paradigmatische shift is van deficieten naar sterktes, van problemen naar oplossingen, van verleden naar toekomst (Fish, 1990, 1994), utiliseren van alles wat de patiënt brengt in dienst van gezonde verandering (de Shazer, 1988).
***Einde deel 1***
In dit deel zullen we Ericksons werkwijze in zijn therapieën illustreren aan de hand van een fragment uit een transcript. Deze transcript-sessie betreft een demonstratie tijdens een vijfdaagse workshop voor therapeuten, waar Erickson sprak over algemene procedures van zijn hypnose en therapie. Erickson demonstreerde hier ook hypnose en psychotherapie met de aanwezige studenten. In de tweede kolom wordt commentaar gegeven bij zijn werkwijze. We zullen voornamelijk Ericksons ‘utilisatie-technieken’ illustreren en bespreken (Zeig, 2003).
Sally (S) is het subject van Ericksons demonstratie. Het is de tweede dag van de workshop en Sally was er de eerste dag niet. Ze komt ongeveer 15 minuten te laat binnen en Erickson gebruikt haar meteen als subject. Hij vraagt aan Rosa, de vrouw die naast hem zit en waarmee hij een demonstratie wilde aanvangen, om haar stoel wat op te schuiven zodat Sally naast Erickson kan gaan zitten. Sally kruist haar benen.
|
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
(7)
(8)
(9)
(10)
(11)
(12)
(13)
(14)
(15)
(16)
(17)
(18)
(19)
(20)
(21)
(22)
(23)
(24)
(25)
(26)
(27)
(28)
(29)
(30)
(31)
(32)
(33)
|
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
E:
S:
|
You don’t need to cross your legs.
(S. laughs.) I thought you might comment on that. OK. (S. uncrosses her legs.)
Our foreign visitors may not know, “a dillar, a dollar, a ten o’clock scholar”.
But you know that rhyme, don’t you?
No.
(Incredulous.) You never learned about a dillar, a dollar, a ten o’clock scholar?
I don’t know the rest of it.
Frankly, I don’t either. (Sally laughs.)
Are you feeling comfortable?
No, actually I walked in in the middle of things and I’m,…I uh.
And I never met you before.
Mmm…I did see you one time last summer. I came with a group.
Did you go into a trance?
I believe so, yeah. (Nods her head.)
You don’t know.
I believe so. (S. nods head “yes.”)
Just a belief?
Uh-huh.
A belief, and not a reality?
It’s sort of the same.
(Incredulous.) A belief is a reality?
Sometimes.
Sometimes. Is this belief of yours, that you went into a trance, a reality or a belief? (S. laughs, and clears her throat. She seems embarrassed and self-conscious.)
Does it matter? (Group laughter.)
That’s another question. My question is, is your belief a belief or a reality?
I think that it is probably both.
Now a belief may be an unreality and it can be a reality. And your belief is both, an unreality and a reality?
No. It’s both a belief and reality. (S. shakes and holds her head.)
You mean it is both a belief which could be a reality…or an unreality and it is also a reality? Now which is it? (S. laughs.)
I really don’t know right now.
Well, why did you take so long to tell me that? (Sally laughs.)
I don’t know that either.
Are you feeling comfortable?
Oh, I’m feeling better, yeah. (Speaking softly.) I hope that people here are not bothered by my interruption.
|
Erickson zegt dat ze haar benen niet hoeft te kruisen. Hij wilde dat Sally open was voor zijn suggesties.
S. antwoordt erg snel op Erickson, door haar benen weer naast elkaar te plaatsen, en ze blijft in een open houding. S. geeft een tegenstrijdigheid aan, want het lijkt of ze op het niet-verbale niveau (met haar lichaamstaal en de rest van haar gedrag) coöperatief is, maar op verbaal niveau is ze niet zo meegaand.
E. doet hier iets dat verwarrend is; hij vertelt een niet alledaags kinderrijmpje[1], wat een indirect commentaar is op het feit dat ze te laat was.Op hetzelfde moment gebruikt hij ook de ‘seeding-techniek’; door het rijmpje legt hij de basis voor het uiteindelijke gebruik van regressie. Hij zorgt ervoor dat ze terugdenkt aan haar kindertijd, omdat een aantal van zijn komende technieken gebaseerd zijn op het ontlokken van herinneringen en ervaringen uit de kindertijd.
Eigenlijk wist E. wel hoe het verder ging, maar hij wilde het indirecte commentaar op haar te laat komen, onbewust houden. En door het meteen met haar eens te zijn, gaf E. aan dat ze iets gemeen hadden.
E. vraagt of ze al eerder in trance is geweest.
Opnieuw zit er een tegenstrijdigheid in haar antwoord. Op verbaal niveau zegt ze dat ze ‘gelooft van wel’, maar op het non-verbale niveau knikt ze met haar hoofd, waarmee ze aangeeft dat ze instemt.
Erickson start hier een ‘verwarringsinductie’. Hij gebruikt hiervoor een utilisatietechniek. Hij gebruikt nl. haar woorden om de verwarring te creëren. Sally kwam zelf met het idee van een ‘geloof’. E. begint onmiddellijk te praten over werkelijkheid en geloof, en een werkelijkheid dat een geloof kan zijn. E. maakt hier woordspelingen mee. Erickson ‘utiliseert’ dus wat Sally hem geeft.
Door gebruik te maken van verwarring, laat E. haar steeds ongemakkelijker voelen.
De enige manier voor Sally om hieraan te ontkomen, is door iets ondubbelzinnigs te zeggen.
Dit is de eerste ondubbelzinnige uitspraak die Sally doet. Ze geeft zich gewonnen. Ze laat nu meer zekerheid zien.
Op dit moment vermindert Erickson de spanning, en stopt hij de verwarring.
|
***Einde deel 2***
|
(48)
(49)
(50)
(51)
(52)
(53)
(54)
(55)
(56)
(57)
(58)
(59)
(60)
(61)
(62)
(67)
(68)
(69)
(102)
(103)
(104)
(105)
(106)
(107)
(112)
(113)
(114)
(115)
(116)
|
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
C:
SdeS:
|
…
So, now, this may be a strange question for you, but, ah, I am going to ask anyway. Suppose one night there is a miracle.
Mm hm.
And the problems that brought you in here today are solved. OK? This happens while you’re sleeping so you can’t know it’s happened.
OK.
OK? The next day, how would you discover there’d been a miracle? What would be different that would tell you…that a miracle has happen?
(Long pause) Mmmm…I don’t know. (Long pause).
I can’t really say…um…for one thing I’d get up and not hearing my mother argue about anything would be a relief.
OK. What would she do instead of that? What would she do instead?
Tell me “good morning”, and ask how I’m doing.
Mm hm. OK.
And act like she cares about my kids.
Mm hm. OK.
And, I don’t know, I think it’d be a much brighter day, too.
In what way?
I don’t know, I think I’d get up feeling much more happier about myself.
Mm hm. OK. And what would you do then? What would be different, if you’re feeling brighter and happier, what would you do that would be different then?
…
Ummmm. I don’t know, I think I’d smile a little more.
OK.
And my attitude would be different.
…
So, when are the times now when you’re a little bit more relaxed and happy?
When I’m with my boyfriend.
Mm hm. OK.
Sometimes.
Sometimes. OK. What would he tell us about that? The day after the miracle? What would he say?
Ummmm, he’ll see that I’m much more happier,…like hey, everybody would see I’m much more happier.
…
Is there anything he might see you do that would tell him for sure that there’s been this miracle, that you’re happier, something you’d be doing that would signal this?
Talking with confidence in myself.
Mm hm.
Actually knowing who I am, what I like, and what I want.
OK.
|
…
SdeS stelt haar de mirakelvraag.
SdeS zoekt hier naar uitzonderingen. Wat zou haar moeder anders doen, indien het mirakel gebeurde?
Haar beschrijving van de dag na het mirakel is eerder vaag en algemeen.
Opvallend in haar beschrijving is dat ze geen afwezigheid van de problemen aangeeft, maar uitdrukt wat ze wenst.
SdeS zoekt naar uitzonderingen; momenten waarop de problemen minder erg zijn, of zich niet voordoen.
SdeS vraagt naar wat haar vriend zou zeggen.
|
***Einde deel 4***
![]() |
Coachteam® - Koeck & Partners Company Talent Coaching & Leadership Coaching and Training http://www.coachteam.com |